Raadkamergeheim van de media

Achtentwintig jaar na de Watergate-affaire is de identiteit van `Deep Throat', de bron waaraan de Washington Post-verslaggevers Woodward en Bernstein maandenlang vitale informatie ontleenden, nog steeds het best bewaarde geheim van Washington.

Deep Throat was hun belangrijkste, anonieme bron, waarvan de identiteit niet alleen voor president Richard Nixon en het openbaar ministerie verborgen bleef, maar ook voor de collega's van Woodward en Bernstein.

Zelfs de hoofdredacteur van de Post, Ben Bradlee, bleef buitengesloten. Hij aanvaardde de voorwaarde van absolute geheimhouding (de voorwaarde waarop `Deep Throat' bereid was tot medewerking), maar liet geen woord passeren dat niet tweemaal tegen het licht was gehouden. Geen stuk werd geplaatst zonder dubbele verificatie en zonder het fiat van de advocaten van de Post. Woodward en Bernstein werden zo fel op de huid gezeten dat ze het gevoel kregen alsof ze zich voor een rechtbank moesten verantwoorden.

De moeilijkheid was dat `Deep Throat' nooit geciteerd mocht worden, zodat al zijn inlichtingen gecheckt moesten worden. ,,We moesten weten wat welke bron op welke vraag had geantwoord, niet in algemene termen, maar woord voor woord (`Word for bloody word').' Dat waren onsympathieke maatregelen, erkende Bradlee in zijn memoires, maar ze moesten worden genomen in het belang van de betrouwbaarheid van de krant.

De bron van de informatie, schreef hij later in een wijder verband, vormt een hoogst belangrijk onderdeel van elk nieuwsverhaal. Ze stelt de lezers in staat zelf te oordelen over de kwaliteit van de berichtgeving en over de motieven van een bron. Volgens de hoofdredacteur van de Post mocht de identiteit van een bron alleen in uitzonderlijke gevallen worden achtergehouden, en dan nog alleen met een redelijke motivering.

In Nederland is de bescherming van anonieme bronnen een onbeschreven terrein van de journalistiek, dat niet door vaste, algemeen aanvaarde gedragsregels wordt beheerst. De ongelijke regels die daaromtrent worden gevolgd zijn niet voor één uitleg vatbaar, maar worden in de praktijk ook niet gelijkvormig geïnterpreteerd. Dagbladen laten zich op dit terrein meer aan regels gelegen liggen dan weekbladen, maar volgen lang niet allemaal één lijn. De meeste kranten houden zich aan een code, die hetzij op een geschreven, hetzij op een ongeschreven grondslag steunt. In de regel voorziet die code ook in de een of andere vorm van interne controle.

Dat betekent overigens niet dat alle journalisten zo'n code onderschrijven. In de getuigenverklaringen die acht journalisten onlangs voor het Amsterdamse gerechtshof over hun omgang met anonieme bronnen aflegden werden die gedragsregels eerder betwist dan onderschreven. De misdaadverslaggevers, die door het hof waren opgeroepen op verzoek van de verdediging van de verdachte in een strafzaak waarover ze hadden geschreven, gaven het hof enig inzicht in hun werkwijze en verklaarden door welke professionele normen ze zich daarbij lieten leiden. Met elkaar presenteerden ze echter zo'n wonderlijk allegaartje van regels en gebruiken dat de strafkamer van het hof er met de ogen van knipperde.

De voorzitter van de strafkamer, die wilde weten of redacties over voorzieningen beschikken om de kwaliteit en de identiteit van anonieme bronnen te toetsen, kon zo te zien maar moeilijk geloven dat de meeste redacties dat, zoals gesuggereerd werd, veelal aan de verslaggever zelf overlaten. Volgens het verslag in de Volkskrant van 31 oktober toonde de voorzitter van de desbetreffende strafkamer zich ,,verbaasd over het gebrek aan controle op verslaggevers door hun eigen nieuwsorganisaties', Het Parool van dezelfde datum noteerde haar reactie in sterkere termen: ,,Tot haar verbijstering bepaalt de verslaggever zelf of een bron betrouwbaar is of niet'.

Van het anarchistische exposé dat de verslaggever van het weekblad Vrij Nederland hield zullen haar oren ongetwijfeld het meest getuit hebben. Volgens het meergenoemde verslag in de Volkskrant was hij namelijk van mening ,,dat zijn hoofdredacteur hem niet kan vragen om de identiteit van een bron te onthullen'.

Gezien haar eigen professionele achtgergrond was de verbazing die de voorzitter van deze strafkamer toonde alleszins begrijpelijk. In de eerste plaats ligt het voor de hand dat rechters, die getraind zijn in het verkrijgen van bewijs en het beoordelen van de betrouwbaarheid van getuigen, er speciale belangstelling voor hebben hoe de journalistiek in dat opzicht te werk gaat. In de tweede plaats is de collegiale besluitvorming voor de meeste rechters standaard. Rechters (van rechtbanken en hoger) oordelen in raadkamer in de regel in groepen van drie. Gegeven die procedure is het niet onlogisch dat rechters ook aan de journalistiek de eis stellen hun informatie aan een meervoudige interne (collegiale) toets te onderwerpen.

De regel die bij deze krant geldt is in elk geval niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: anonieme bronnen van nieuws dat in de krant komt moeten aan de hoofdredacteur of zijn plaatsvervanger worden aangemeld. Het zojuist verschenen Stijlboek NRC Handelsblad (Van Dale Lexicografie/NRC Handelsblad) omschrijft en motiveert deze gedragsregel als volgt: ,,Het achterhouden van de identiteit van een bron is alleen toegestaan indien de bron ernstige beroepsmatige of fysieke schade zou kunnen oplopen bij het bekend worden van zijn naam. Het moet gaan om informatie die niet op een andere manier kan worden verkregen. De juistheid en de controleerbaarheid ervan zijn bepalend voor de vraag of de informatie afgedrukt kan worden. De hoofdredacteur en de rubriekschefs moeten weten wie de bron is, uit een oogpunt van rechtsbescherming van de krant. Is er eenmaal anonimiteit gegarandeerd, dan moet deze worden beschermd. De lezer moet duidelijk zijn hoe en waarvoor een anonieme bron is gebruikt en waarom de identiteit is achtergehouden.' Op de zitting van het Amsterdamse hof kon er nog niet uit worden geciteerd, omdat het toen nog moest uitkomen.