In Duitsland is alles veranderd, behalve de taal

Elke Nederlander heeft een Duitser in zich, waaraan hij niet zelden een hekel heeft, maar geen Duitser heeft een Nederlander in zich, stelt Harry Mulisch in een rede over de Nederlands-Duitse betrekkingen.

Eerste these

Het verschil tussen Nederland en Duitsland was eeuwenlang dat tussen Uilenspiegel en Faust.

Kanttekening

De historische Tijl Uilenspiegel leefde in de eerste helft van de veertiende eeuw, volgens Duitsers in Schleswig-Holstein, volgens Nederlanders in Vlaanderen. Dit laatste komt mij vandaag het beste uit. Het eerste, Nederduitse volksboek over de archetypische potsenmaker verscheen aan het eind van de vijftiende eeuw, en nadien hebben talrijke Duitse schrijvers zich er door laten inspireren, van Kotzebue tot Gerhart Hauptmann, – maar onveranderlijk werd zijn ongecompliceerde, boertige karakter vervormd door hun metafysische, Duits-Faustische inborst. De beste bewerking van de stof is daarom afkomstig van Charles de Coster, uit 1886, bij wie de schalkse spotter promoveerde tot vrijheidsheld in de strijd tegen de Spaanse overheersing. De Vlamingen beschouwen het als hun nationale epos. Uilenspiegel is de onduitser pur sang.

De historische Johann Faust leefde rond 1500, en bij hem kan geen sprake zijn van twijfel over zijn identiteit. Literair is hij uitgegroeid tot de Duitser an sich. Al in het volksboek uit het eind van de zestiende eeuw is het hoofdmotief te vinden: de niets ontziende waarheidszoeker die een pact met de Duivel sluit, wat tot zijn ondergang leidt. Dit gegeven werd door talloze schrijvers uitgewerkt, met als hoogtepunt natuurlijk Goethe's Faust, en – naar mijn smaak – met als tweede hoogtepunt Thomas Manns Doktor Faustus. De hoofdpersoon van zijn roman, een krankzinnig wordende componist, staat uitdrukkelijk voor Duitsland zelf, zoals het terechtgekomen is in de waanzin van het nationaal-socialisme. Duitsers verkopen hun ziel als het zo uitkomt, Hollanders daarentegen verkopen alleen waren die zij zelf eerst goedkoper hebben ingekocht.

Tweede these

Het verschil tussen de literaire gestalten Uilenspiegel en Faust, dus het verschil tussen de Nederlanden en de Duitse landen, was al jaren vóór het verschijnen van de beide volksboeken zichtbaar geworden als het verschil tussen twee mannen van vlees en bloed: Erasmus en Luther. Het is het verschil tussen het amusante relativisme van De Lof der Zotheid en het rabiate absolutisme van vijfennegentig tegen een kerkdeur gespijkerde stellingen. De ganzenpen versus de hamer.

Kanttekening

De frêle humanist Desiderius Erasmus van Rotterdam had minder en dunner bloed dan de onverschrokken augustijner monnik doctor Martin Luther uit Eisleben, en het stroomde ook langzamer. De amechtige celibatair had het altijd koud, leed aan talloze kwaaltjes, terwijl de robuuste Luther zoop en vrat en schreeuwde en bereid was iedereen die hem de voet dwars zette te vermorzelen. Hij gooide zijn inktpot naar de Duivel, trouwde met een non en nam het op tegen de paus, tegen de keizer, tegen de verzamelde vorsten: `Hier sta ik, ik kan niet anders!' Maar voor de schipperende Erasmus gold eerder: `Hier zit ik, ik kan altijd ook anders...' Luther sloeg de roomse kerk aan scherven en Erasmus was het eigenlijk met hem eens, maar toch schrok hij terug voor een keuze. De furor teutonicus was bereid de hele wereld ten onder te laten gaan voor zijn gelijk; toen de joden zelfs zijn leer van Christus niet wensten te omhelzen, maar liever vasthielden aan hun eigen Mozes, werd hij antisemiet. Al dat fanatisme lag ver buiten Erasmus' verdraagzame Hollandse horizon – net als de muziek. Maar Luther was behalve alles ook componist: Ein' feste Burg ist unser Gott. Bovendien schiep hij met zijn bijbelvertaling het moderne Nieuw-Hoogduits, en daarmee het Duitse nationalisme, terwijl de Europese internationalist Erasmus altijd in het Latijn is blijven schrijven. Er zijn maar twee, ongeschreven Nederlandse woorden van hem bekend, – de laatste, op zijn sterfbed in Bazel: `Lieve God...'

Al deze motieven – Faust, de Duivel, Luther, de muziek, het Duitse nationalisme, eindigend in dood en verderf – zijn terug te vinden in Manns Doktor Faustus, waarin de verteller Serenus Zeitblom onmiskenbaar de humanistische trekken van Erasmus vertoont.

In zijn tijd was Erasmus geen partij voor Luther – en zelfs nog niet in mei 1940. Het is verleidelijk om te denken dat het bombardement van de Luftwaffe op Rotterdam eigenlijk gericht was op Erasmus' geboortestad. Toen was Goering na vijf dagen de winnaar, zelf ook zo'n flamboyante verschijning. Maar nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, ziet het er naar uit dat Erasmus ten slotte toch aan het langste eind trekt. Langzaam maar zeker neemt zijn Europa politiek gestalte aan, zij het met het Engels als lingua franca in de plaats van zijn geliefde Latijn.

Derde these

Ofschoon Nederland aan Duitsland grenst, zijn Engeland en zelfs Amerika dichterbij voor Nederlanders. Op zondag kopen al mijn vrienden Engelse zondagskranten, nooit Duitse, zoals ik. `Liever een goede buur dan een verre vriend.' Dat is waar. Maar de buur wordt daarmee helaas nog geen vriend.

Kanttekening

Ook Erasmus had zijn beste vrienden al in Engeland, zoals Thomas More. Vier Engels-Nederlandse oorlogen konden daar ook later geen verandering in brengen. Op een dag werd een Nederlandse prins uit het Huis van Oranje zelfs koning van Engeland. De Nederlanders en de Duitsers staan rug aan rug tegen elkaar geleund, zij voelen elkaars warmte, maar de Nederlanders kijken naar het westen, over de eindeloze zee, de Duitsers naar het oosten, over de eindeloze steppen.

Vierde these

In 1945 is in Duitsland alles veranderd, behalve de taal. Die onveranderde taal is voor Duitsers vanzelfsprekend, maar niet voor Nederlanders. Het Duitse gebrul, dat meer dan een halve eeuw geleden door de radio en op straat weerklonk, om over verschrikkelijker plaatsen te zwijgen, de Duitstalige meldingen van uitgevoerde doodvonnissen in de kranten, – de echo daarvan is ook nu nog niet weggestorven.

Kanttekening

Ik vermoed dat dit nog steeds de hoofdoorzaak is van de irritaties tussen Nederlanders en Duitsers, tot op het strand van Scheveningen. De Duitsers, die daar hun geheimzinnige territoriumkuilen graven, zijn zich er niet van bewust, en er is niets aan te doen. Na de napoleontische overheersing was het het Frans dat denkelijk nog tientallen jaren die gehate klank had in Nederland, net als eerder het Spaans. Het Nederlands, op zijn beurt, had die klank ongetwijfeld enige tijd in de voormalige koloniën.

Thomas Mann heeft zijn Doktor Faustus in een Engelstalige omgeving in de Duitse taal geschreven, die taal van Goethe en Hölderlin en al die anderen, in het heldere bewustzijn dat hij Luthers erfenis moest redden uit de vervuilende monden van de nazi's. Dat kon natuurlijk alleen symbolisch lukken. Van de tachtig miljoen Duitsers heeft de overweldigende meerderheid zijn boeken niet gelezen. Aan de huidige generaties in Duitsland en Nederland gaat zijn even artistieke als hoogintelligente werk vrijwel volledig voorbij, terwijl zij wel in de bioscoop en op de televisie onafgebroken worden geconfronteerd met het blaffende SS-Duits, al is het vaak in het Engels met een lachwekkend Duits accent. Toch verdient Mann voor zijn heroïsche poging een borstbeeld in Berlijn of München, met de inscriptie: Retter der deutschen Sprache in barbarischer Zeit.

Vijfde these

Elke Nederlander heeft een Duitser in zich, waaraan hij niet zelden een hekel heeft, maar geen Duitser een Nederlander.

Kanttekening

Het kleine en bedreigde draagt het grote en bedreigende in zich, maar niet omgekeerd. In de antiloop woont een leeuw, in de leeuw geen antiloop. Het Centraal-Europese Duitsland is groter dan elk van zijn acht buren; in elk ervan woont een Duitser, maar geen ervan woont in de Duitser. Zelfs in het bijkans autistische Frankrijk hebben Wagner en Heidegger een status die geen Franse pendant heeft in Duitsland. Voor Duitsers bestond gedurende eeuwen alleen Duitsland. Met de wijzer tegen de klok in veroverde het zestig jaar geleden binnen de kortste keren al zijn buren – waarna het zich in zijn overwinningsroes keerde tegen het grotere: de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Toen leerde ook Siegfried het vrezen. Sindsdien woont in iedere Duitser een Rus en een Amerikaan.

Wat men intussen bij alle irritaties in Duitsland niet weet, is dat zelfs het Nederlandse volkslied een hymne is aan een Duitser: aan Willem I van Oranje, graaf van Nassau. Deze prins had in de zestiende eeuw de leiding van de opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse overheersing, waarmee hij de peetvader werd van de Nederlandse onafhankelijkheid. Dat heeft hij met zijn leven moeten bekopen. Hij was een vrijheidslievende, tolerante man, die niet alleen de Spaanse koning trotseerde, maar ook de fundamentalistische calvinisten, die de Nederlanden liefst in een theocratie hadden veranderd. Vierhonderd jaar later had hij vermoedelijk deel uitgemaakt van de kring rond graaf Stauffenberg.

Tot slot: hoe actueel is dit alles nog in de eenentwintigste eeuw? Met enig recht heb ik de verhouding Nederland-Duitsland manichees overzichtelijk gehouden – maar intussen staan in al onze steden moskeeën, wat uit zijn christelijk-humanistische optiek al voor Erasmus een schrikbeeld was. De Turkse kleermaker en de Marokkaanse slager weten even weinig van hem en van Luther als hun autochtone collega's, maar essentiëler is dat in Duitsland ook geen Faust rondspookt in hun innerlijk en in Nederland geen Uilenspiegel, maar heel andere gestalten, die Duitsers en Nederlanders vreemd zijn.

De mythische strijd tussen hun ongrijpbare gestalten en de onze is al enige tijd aan de gang in Europa, en het bijkomend voordeel daarvan is, dat verschillen als die tussen Duitsland en Nederland steeds marginaler worden. Bovendien: die gestalten zullen niet vreemd blijven. Niemand anders dan de auteur van Faust zelf heeft dat al bijna twee eeuwen geleden exemplarisch voorgeëxerceerd. In dezelfde jaren waarin hij aan het tweede deel ervan begon, publiceerde hij zijn geheimzinnige West-Östlicher Divan, dat zich geheel en al bezig houdt met de gestalten van de oriëntaalse wereld. Aan dat internationaliserende project werken nu in alle Europese talen ook uitheemse schrijvers, niet alleen oriëntaalse.

Ook zelf ben ik – als ik zo vrij mag zijn – een voorbeeld van een geïntegreerd Fremdkörper. Mijn moeder stamt uit Duitsland, mijn vader uit Oostenrijk; als kind heb ik eerder Duits gehoord dan Nederlands. Ook die andere, westelijke bedreiging van Nederland, de zee, leeft niet in mij zoals in een rechtgeaarde Nederlander; ik voel mij meer verwant met Faust dan met Uilenspiegel. Toch hebben de Nederlanders mij aanvaard als dat wat ik ben: een Nederlandstalige schrijver. Die factoren hebben er vermoedelijk toe bijgedragen dat ik het ben die hier vandaag mocht spreken – in het Duits.

Harry Mulisch is schrijver. Bovenstaande tekst heeft hij vanmiddag uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling `Deutschland-Niederlande: heiter bis wolkig' in het Haus der Geschichte in Bonn.