Duitslands zwaartekracht

In bijna alle landen van de Europese Unie is, blijkens publieke-opiniepeilingen, de weerstand groot tegen uitbreiding van die Unie met Midden-Europese landen, zoals Polen, Tsjechië, Hongarije, Slowakije, Slovenië, en de Baltische landen. Die weerstand staat in schril contrast tot het officiële standpunt van de regeringen, die volgende maand in Nice bijeenkomen om juist de weg naar die uitbreiding te banen.

Is hier sprake van schijnheiligheid? Bij de Duitse regering bepaald niet. Zij acht een chaos aan haar oostgrens niet in het Duitse belang. Bovendien wil zij niet dat die oostgrens samenvalt met de oostgrens van de Unie. Dat zou Duitsland een excentrische positie in de Unie geven. Zij is dus oprecht voorstander van de integratie van de Midden-Europese landen in de Unie, maar heeft haar publieke opinie blijkbaar nog niet van dat belang overtuigd.

Naarmate de andere landen van de Unie verder af liggen van Midden-Europa, neemt de geestdrift voor de uitbreiding nog meer af, hoewel in de Scandinavische landen er wel weer meer begrip voor bestaat, omdat Polen en de Baltische landen hun overburen zijn aan de Oostzee. Voor de meeste Nederlanders, wier blik trouwens vanouds meer westwaarts gericht is geweest, is Midden-Europa heel ver weg.

Belangrijker echter is wat Frankrijk ervan vindt. Officieel staat het achter de uitbreiding, maar het is moeilijk in te zien welk belang het daarbij heeft. Vroeger zag het in Polen en Tsjechoslowakije bondgenoten in de rug van een machtiger wordend Duitsland, maar die ambitie schijnt het, na enkele halfslachtige pogingen van de presidenten Giscard d'Estaing en Mitterrand, te hebben opgegeven.

Het is ook wel begrijpelijk waarom. In zijn rede uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarschap in de Duitslandstudiën aan de Universiteit van Amsterdam op 3 juli zei Ton Nijhuis: ,,Zeker voor de landen van Midden- en Oost-Europa geldt dat men eerder geneigd is in Berlijn aan te kloppen dan bijvoorbeeld in Brussel'' – om niet te spreken van Parijs, kunnen we daaraan toevoegen.

Met andere woorden: Duitslands macht in Europa is, althans in potentie, toegenomen – door zijn hereniging en doordat Midden-Europa, ondanks alle ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog, graviteert naar het nieuwe Duitsland. Die potentiële machtsuitbreiding van Duitsland kan de Fransen moeilijk welkom zijn, en daarom mogen we niet verrast zijn als Frankrijk, het belang van de uitbreiding van de Unie met de mond belijdend, op alle detailpunten blokkades zou gaan opwerpen.

Maar laten we aannemen dat die uitbreiding er toch komt, mèt de Duitse machtsvergroting die er het gevolg van zal zijn. Nu al is duidelijk dat, zoals Nijhuis zegt, ,,zonder Duitsland niets loopt en omgekeerd geen enkel belangrijk initiatief kans maakt wanneer het niet door Duitsland gesteund wordt. Dat betekent dat initiatieven altijd via Berlijn moeten lopen.'' Na uitbreiding van de Unie met Midden-Europese landen zal die tendentie alleen maar sterker worden.

Wat zou dat voor Nederland betekenen? Natuurlijk, het klassieke antwoord luidt dat Nederlands belang ligt in de versterking van de instellingen van de Europese Unie. Akkoord, maar die instellingen werken niet in een luchtledig. Ook daarin weerspiegelen zich, vroeg of laat, de machtsverschuivingen tussen de leden van de Unie. ,,Juist door het groeiend aantal lidstaten ontwikkelt Berlijn de neiging zich vooral op de grote landen te concentreren. Hiertoe behoort Nederland niet'', zegt Nijhuis.

Inderdaad. Des te meer klemt de vraag: wat zou dit allemaal voor Nederland betekenen? Het volstaat niet te blijven hameren op versterking van de Europese instellingen. Aangezien het machtsspel ook binnen een verenigd Europa doorgaat, moet Nederland zich ook afvragen aan welke macht het zijn steun – voor wat die waard is – moet geven.

Het aantal opties is gering. Een toenadering tot Frankrijk lijkt logisch, maar keer op keer is gebleken dat er, om welke redenen dan ook, grenzen zijn aan zo'n toenadering. Aanleuning tegen het Verenigd Koninkrijk zal zeker de voorkeur hebben van de meeste Nederlanders, maar zelden is gebleken dat die liefde iets opleverde. Ook Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk doen – begrijpelijk overigens – liever zaken met andere grote mogendheden dan met kleine.

Derde optie is: coalities aangaan met de andere kleine mogendheden, maar zolang Nederland de pretentie handhaaft de grootste van de kleinen, zo niet de kleinste van de groten, te zijn, heeft die optie – alweer: voor wat zij waard is – weinig kans van slagen. Minister-president Kok heeft zich in elk geval niet populair gemaakt toen hij onlangs in Biarritz weigerde zich aan te sluiten bij een opstand van de kleinen tegen de groten.

Bij de afweging, zo niet afstreping, van deze opties moeten ook de Verenigde Staten genoemd worden, die de afgelopen halve eeuw voor sommige Europese landen als een terugvalbasis hebben gediend, vooral bij Franse pogingen hùn conceptie aan Europa op te leggen. In die halve eeuw waren, aldus Nijhuis, ,,alle problemen door de Koude Oorlog voorgestructureerd. Nu ontbreekt zo'n alomvattend raamwerk en kan Duitsland minder op de Verenigde Staten leunen.''

Als dat voor Duitsland geldt, hoeveel te meer voor Nederland! Als al deze opties of tegenwichten hetzij ongewenst hetzij illusoir blijken te zijn, dan zal Duitslands zwaartekracht voor Nederland even sterk zijn als zij voor de Midden-Europese landen is. In feite was zij dit al lang, maar nu zijn er geen tegenwichten meer.