`Boerenland opofferen verantwoord'

Het is ,,economisch verantwoord'' om landbouwgrond op te offeren om water meer ruimte te geven. Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in een rapport `Ruimte voor water' dat vandaag is gepubliceerd.

De kosten van het gebruiken van landbouwgrond tegen overstromingen en wateroverlast als gevolg van de klimaatverandering wegen ,,min of meer'' op tegen de kosten van technische manieren om water te weren, zoals het versterken van dijken en pompen.

Rijkswaterstaat had het CPB gevraagd een kosten-batenanalyse te maken van zes projecten waarbij het reserveren van ruimte voor water een belangrijke rol speelt.

Het CPB is uitgegaan van het gebruik van bestaande landbouwgronden voor het bergen van overtollig water. De onderzoekers hebben aangenomen dat deze grond niet nodig is voor verstedelijking. Als het bergen van water op landbouwgrond het bouwen van woonwijken en bedrijventerreinen onmogelijk zou maken, dan zal de kosten-batenanalyse van landbouw voor water weleens veel minder gunstig kunnen uitpakken, stellen de onderzoekers.

Vooral in het drukke westen van het land zal meer ruimte voor water extra kosten met zich meebrengen, verwacht het CPB. Zo kosten extra ruimtelijke aanpassingen om de wateroverlast in vooral de Randstad tegen te gaan in totaal ongeveer 2,5 miljard gulden meer dan een meer traditioneel pakket aan maatregelen.

Bij het opstellen van de kosten-batenanalyse van de ruimteclaims voor water heeft het CPB rekening gehouden met maatschappelijke factoren. Zo is het reserveren van ruimte voor water gunstig voor landschap, natuur en biodiversiteit. Ook is meer ruimte voor water gunstig voor de recreatie, aldus het CPB. ,,Kansen zijn gelegen in het bedenken van slimme combinaties van ruimtelijke en technische oplossingen, combinaties met andere waterfuncties, differentiatie van veiligheidsnormen en een integrale benadering vanuit de gehele ruimtelijke ordening'', aldus het planbureau.

Voor de kosten-batenanalyse werden de volgende projecten van Rijkswaterstaat onder de loep genomen: 1: het inrichten van het Rijnstrangengebied en de Ooijpolder als retentiegebieden zodat bij extreem hoge afvoer tijdelijk water kan worden opgevangen; 2: grootschalige dijkverleggingen langs de Rijntakken; 3: het kustplan om te voorkomen dat Nederland bij een stijgende zeespiegel deels wordt overstroomd, door het verbreden van de duinen aan de Noordzeekust, het reserveren van ruimte achter de dijken aan de Waddenzee en het `ontpolderen' van een gebied in Zeeland; 4: het tegengaan van toenemende wateroverlast in het Lekgebied; 5: het inrichten van noodoverlopengebieden (de zogenoemde calamiteitenpolders) om dichtbevolkte gebieden elders te sparen; en 6: het tegengaan van regionale wateroverlast door toenemende regenval, vooral in het westen van Nederland.