Vliegtuigbouw wil meer geld

De Nederlandse vliegtuigindustrie heeft tot 2005 jaarlijks 32 miljoen gulden extra nodig aan overheidssubsidies. Dit zou bovenop de 45 miljoen gulden komen die de bedrijven al jaarlijks van de overheid krijgen. Dit staat in een beleidsnota die het adviserende semi-overheidsorgaan het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR) op verzoek van het ministerie van Economische Zaken heeft opgesteld.

In 1997, vlak na het faillissement van vliegtuigbouwer Fokker, heeft de regering eenmalig 320 miljoen gulden gereserveerd tot 2003 om de luchtvaartindustrie te steunen. Dit geld was met name bestemd voor onderzoek gericht op deelname in Airbusprojecten. Nu de markt voor vliegtuigbouw aantrekt en Nederlandse bedrijven mogelijk ook in andere projecten deel kunnen nemen, hebben bedrijven meer geld nodig om te kunnen concurreren met buitenlandse ondernemingen.

De luchtvaartindustrie bestaat voornamelijk uit middelgrote en kleine bedrijven van enkele honderden werknemers. Als de overheid de subsidie niet ter beschikking stelt kan dit het einde betekenen van enkele bedrijven, stelt voorzitter B. Droste van het NIVR. Het ontbreekt de ondernemingen aan financiële draagkracht om de risico's op lange termijn af te dekken. Bovendien is er volgens het NIVR sprake van oneerlijke concurrentie, omdat de buitenlandse overheden de bedrijven meer financiële steun geven dan in Nederland. Hierdoor kunnen buitenlandse toeleveranciers hun producten goedkoper aanbieden.

Het economisch belang van de vliegtuignieuwbouw in Nederland liep na het faillissement van Fokker sterk terug. De omzet daalde van 2,7 miljard gulden in 1995 naar 0,9 miljard gulden in 1996, het aantal medewerkers daalde van 9800 naar 3200. In 1998 groeide de omzet naar 1,3 miljard gulden met 4000 medewerkers. De bedrijven hopen met behulp van de subsidie een jaarlijkse omzetgroei van tenminste 10 procent te realiseren.