Rocker in de modder

Vreemde jongens zijn het toch, die veldrijders. Springen ze van de fiets zodra het parcours onberijdbaar dreigt te worden, gaan ze lopen met hun fiets aan de hand, sterker nog: nemen ze de fiets op de schouder. Nu zijn er wel meer sporten waarvan ik me afvraag of de beoefenaren wel weten waar ze mee bezig zijn, maar veldrijden is mijns inziens toch wel echt tegennatuurlijk. Een fiets is er tenslotte om mee te fietsen en niet om mee te lopen, nietwaar?

Toch worden al honderd jaar wedstrijden in veldrijden georganiseerd. Al sinds de Franse soldaat Daniel Gousseau van het korps wielrijders tot zijn verbazing zag dat hij zich in het veld op zijn fiets bijna net zo snel kon voortbewegen als zijn generaal te paard. Gousseau besloot daarop maar meteen in het veld fietswedstrijden te houden en noemde zijn sport: cross-country cyclo-pédestre. Octave Lapize, winnaar van de Tour de France in 1910, was enige jaren later de eerste die in een veldrit op moeilijk berijdbare paden zijn fiets over zijn schouder gooide. Lapize won zowaar en niemand protesteerde.

Honderd jaar later is de Nederlander Richard Groenendaal een meester in wielrennen in het veld, vooral in zijn woonplaats

Sint -Michielsgestel waar hij vorig jaar zelfs wereldkampioen werd. Samen met Belgen, Zwitsers, Fransen en Italianen probeert hij zo snel mogelijk over gras, zand, klei en modder te fietsen. Wanneer zich een bij toeval omgevallen boom op het parcours bevindt, proberen Groenendaal en zijn rivalen behendig over het obstakel te wippen – al dan niet in het zadel – of stappen ze af en springen ze er met de fiets aan de hand overheen. Omdat de wedstrijden tussen oktober en maart worden georganiseerd, worden deze jonge mannen geconfronteerd met barre weersomstandigheden. Veldrijders zijn dan ook aan het eind van de wedstrijd besmeurd met modder en ander vuil dat ze onderweg zijn tegengekomen.

Richard Groenendaal heeft deze manie niet van een vreemde. Zijn vader Reinier behoorde een decennium geleden ook al tot 's werelds beste veldrijders. Maar waar vader meestal zijn meerdere moest erkennen in anderen – zoals Hennie Stamsnijder, die zowel na een overwinning als een nederlaag tranen over zijn besmeurde gezicht liet stromen – is zoon Richard vaak oppermachtig.

Veldrijden mag dan een tegendraadse manier van zich zo snel mogelijk voortbewegen zijn, enig respect verdienen Groenendaal en zijn rivalen zeker. Het zijn harde jongens, jongens van het land dus. Jongens uit de stad worden niet of nauwelijks gesignaleerd in cyclocrosses. Natuurlijk niet, stadsjongens kennen de natuur niet, de natuur is hen vreemd. Zij fietsen met hun bleke neuzen liever niet tegen de wind in of duiken in de modder, want dan worden ze vies en dat mag niet van hun zorgzame moeder.

Als ik de Brabantse dorpsjongen Richard Groenendaal, de Brabantse boerenzoon Adri van der Poel, vroeger de Overijsselse boerenzoon Hennie Stamsnijder, de Zwitserse boeren- en bergjongens en de Vlaamse dorpsjongens met hun fiets door de modder zie rock-en-rollen, gaat mijn hart open. Dan sluit ik mijn ogen en hoor ik de Limburgse veldritverslaggever Jean Nelissen in gesprek met de zonen van het land. Uit de tongval van de gesprekspartners spreekt respect voor de natuur, voor de wind, de regen, de modder en voor het echte leven.

Soms wens ik me bij de televisiebeelden van een mensonterende veldrit op een druilerige, saaie zondagmiddag de chaotische maar opwindende gitaarklanken van Neil Young. Dan wil ik Richard Groenendaal door gras, zand en modder zien ploeteren op weg naar de glorie en Neil Young eindeloos horen plukken op de snaren bij zijn meesterwerk Everybody knows this is nowhere.