Leeg en verbazingwekkend

Er zijn gelegenheden genoeg waarbij men zou wensen dat het ego een tikje minder belangrijk was. De politiek levert ze bij bosjes, elke dag weer. De illusie dat veel mensen de politiek ingaan omdat ze echt iets voor ogen staat dat in het algemeen belang is, raakt iedereen die wat langer leeft bijna vanzelf kwijt, en àls er al mensen zijn die om die reden een politieke loopbaan nastreven dan worden ze zeker niet succesvol omdat ze blijven volhouden dat er belangrijker dingen zijn dan de partij en het eigen prestige. Er is niets belangrijker dan de partij en het eigen aanzien. Het is zaak om op te vallen, door te drijven, je zin te krijgen, je naam te laten horen. De helft van het politieke nieuws, om niet te zeggen driekwart, om niet te zeggen negentig procent, bestaat uit nieuws over de persoonlijke lotgevallen en onderlinge verhoudingen van politici.

Dit is ongenuanceerd gemopper, dat is waar. Het is flauw om net te doen alsof alle kwaad van de politiek komt. Overal, in elk bedrijf, elke sportclub, elke kleuterschool en elk kerkbestuur is allerlei ego-gedoe waar te nemen en wie eerlijk is ziet het ook in eigen huis en eigen boezem.

Mensen die ik altijd als cynici heb beschouwd beweren zelfs dat èlk gevoel niets anders dan egoïsme is: verdriet is zelfmedelijden, liefde is streling van het ego, en zelfs altruïsme of medelijden zijn terug te voeren op het ik. Laatst las ik, in het bijzonder geestige maar voor zover ik heb gezien nergens opgemerkte debuut van Nicolien Mizee, Voor God en de sociale dienst, de volgende passage, over altruïsme en heiligheid: ,,Zelfs Louise meent dat een heilige `allemaal goede dingen voor andere mensen moet doen'. Maar dat zijn geen heiligen, dat zijn terroristen.'' Degene die aan het woord is heeft een andere opvatting over heiligheid: ,,een heilige [is] iemand die volmaakt zichzelf is, zonder anderen daar last mee te bezorgen''.

Wat `volmaakt zichzelf zijn' is, is nog niet zo makkelijk te zeggen, maar hier klinkt het toch als een manier van zijn die er niet op uit is om voortdurend op te vallen in de wereld, of steeds vooraan te staan of door anderen geweldig gevonden te worden. Het klinkt onthechter.

Over dat laatste schrijft Patricia de Martelaere in haar nieuwe essaybundel Wereldvreemdheid. Ze heeft het over de andere kijk die sommige oosterse filosofieën op de mens hebben, een kijk waarin het ik niet centraal staat en er zelfs maar nauwelijks toe doet. Evenmin dus als de emoties en de gedachten van dat ik. Ook De Martelaere meent dat alle emoties `zonder uitzondering wortelen in een diepe ik-betrokkenheid'. Ze vindt rouw daar nog het duidelijkste voorbeeld van, `waar het verdriet, hoe diep ook, uiteindelijk niets anders dan het eigen verlies betreft'. Het is een ontmoedigend idee, of misschien is het vooral een ontmoedigende mengeling van begrippen. Egoïsme of `ik-betrokkenheid' klinkt negatief en onplezierig, rouw of liefde klinken naar `mooie', `hogere' gevoelens – gevoelens waarbij het ik nu juist niet op de eerste plaats zou (horen te) staan. Liefde en rouw worden door deze zienswijze naar beneden gehaald, zoals ook het altruïsme rap in waarde daalt als het begrepen wordt als terrorisme, zoals Mizee haar personage laat doen.

De Martelaere zou wel voor wat minder `gevoel', voor minder `menselijkheid' zijn. In haar zienswijze betekent dat dus: voor minder eigenliefde. Ze schrijft dat meditatietechnieken bedoeld zijn om zowel het denken als het voelen te doen afnemen, `vanuit de intuïtie dat het bewustzijn meer is dan zijn inhouden, en ook meer is dan het individu'. Leegte moet er in het bewustzijn komen, ruimte. Al die emoties en gedachten noemt De Martelaere ijskoud `ballast'.

Het is, zoals bijna alles wat zij schrijft, fascinerend, juist omdat ze altijd zo kalmweg ingaat tegen van alles dat we nu eenmaal als vanzelfsprekend beschouwen. Tegelijkertijd raak ik er ook altijd licht opstandig van, hoe vaak ik ook, zie boven, zou wensen dat er wat minder aandacht bestond voor het eigen ik en wat meer voor de wereld met alle andere mensen, dieren en dingen daarin. (De Martelaere breidt haar blik zelfs uit tot de kosmos.)

Is rouw louter treurnis om het eigen verlies? Is het niet ook treurnis om het verdwijnen van een wereld – want elk mens is een wereld? Niet alleen omdat al die gedachten, ervaringen, bewoordingen, beelden, herinneringen die in dat ene hoofd leefden niet meer voor óns toegankelijk zijn, maar omdat ze helemaal niet meer bestaan, voor niemand niet? Treurnis om een leegte? Of is dat zelfbedrog en woordgegoochel?

En liefde – draait die nu echt alleen maar om ons eigen gevoel van welbehagen? De Martelaere schrijft dat we alleen maar van iemand houden zolang die zich gedraagt zoals wij graag zien, en het is waar dat we op kunnen houden van iemand te houden, dat we kunnen beweren dat iemand zichzelf, of onze liefde `onmogelijk' heeft gemaakt. Dat is eigenlijk nogal klein. Zo zou het niet moeten zijn. Maar zo is het ook lang niet altijd. Er bestaan ook voorbeelden van belangeloze liefde.

Het is moeilijk en onwennig om om `het ik' heen te denken, we zijn zo weinig bewustzijn tout court, we zijn altijd vooral bewustzijn van onszelf. Bovendien is er altijd zoveel wereld die aan ons trekt en waar we aan gehecht zijn. Meneer Cogito, het personage dat optreedt in de gedichten van Zbigniew Herbert doet ook wel eens zo'n oefening tot ontlediging. Maar het wordt nooit veel: ,,zijn innerlijk oog/ kon hij niet losrukken/ van de brievenbus/ zijn neus hield de zeelucht vast/ krekels kietelden zijn oor''. Meneer Cogito is te gehecht aan allerlei sensaties en belevenissen. Is dat `ego'? In de termen van de Martelaere zeker, omdat immers elk gevoel `ik-gebaseerd' is. Nu ja, dat moet dan maar. Hoe minder ik, hoe minder ander, hoe minder van die versmade liefde en rouw ook. Dat is misschien `juister' en `waarachtiger' zoals De Martelaere schrijft, maar het is ook nogal kaal. ,,later een keer/ eenmaal afgekoeld/ zal hij (...) zijn zoals de meesters raden/ leeg/ en verbazingwekkend''. Later. Eenmaal afgekoeld. Nu nog niet.