Kunstsubsidies moeten herzien kunnen worden

Bij twijfel in de Tweede Kamer over de juistheid over de vraag of een kunstgezelschap al dan niet terecht subisidie wordt onthouden, moet de mogelijkheid bestaan dat deskundigen het desbetreffende advies nog eens onder de loep nemen, menen Boris O. Dittrich en Atzo Nicolaï.

Geen staatsman is de afgelopen tijd zo vaak geciteerd als Thorbecke. Zijn uitspraak dat de politiek niet de inhoud van de kunsten moet beoordelen, wordt in woorden door vele Kamerleden onderschreven. Ook staatssecretaris Van der Ploeg verwees veelvuldig naar de liberale voorman, in zijn artikel in deze krant van 13 november en tijdens het Kamerdebat over de Cultuurnota diezelfde dag.

Wanneer de subsidie van een kunstinstelling ter discussie staat, moet niet de Tweede Kamer of de staatssecretaris danwel zijn ambtenaren beslissen of de instelling kwalitatief goede kunst biedt. De daarvoor ingestelde Raad voor Cultuur dient een dergelijk kwaliteitsoordeel te vellen. De politiek moet vooral beoordelen of dat oordeel volgens de afgesproken criteria tot stand is gekomen.

Het was geen verrassing dat na het besluit van de staatssecretaris, op basis van het advies van de Raad voor Cultuur, rumoer ontstond. Zonder of met minder subsidie worden de instellingen immers in hun voortbestaan bedreigd. De commotie was echter veel heftiger dan bij vorige verdeelrondes. En dat terwijl er nog nooit zoveel extra geld te verdelen was – volgens de staatssecretaris zelfs 20 procent meer.

Belangrijkste verklaring daarvoor is waarschijnlijk dat Van der Ploeg zijn motto `Cultuur als confrontatie' te letterlijk heeft genomen en hij te veel partijen tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Er werd een schijntegenstelling gecreëerd van jong en allochtoon tegenover een blank bejaard bolwerk. De Kamer heeft met moeite kunnen voorkomen dat Van der Ploeg een strafkorting van 3 procent zou doorvoeren als instellingen onvoldoende allochtoon én jong publiek aantrokken.

Van der Ploeg botste vaker met de Kamer. Terugkerend element daarin was dat de meerderheid van de Kamer vond dat de bewindspersoon te veel de kunst inhoudelijk wilde sturen en te weinig ruimte liet voor artistieke autonomie. Het was daarom verrassend dat de staatssecretaris op 13 november, om niet tegemoet te hoeven komen aan wensen vanuit de Kamer, opeens zei niet te willen treden in inhoud en kwaliteitsoordelen. Zijn uitdeellijstje dat hij aan het eind van het debat meldde, strookt echter juist weer niet met de kwaliteitsadviezen van de Raad voor Cultuur.

Ook de advisering door de Raad voor Cultuur riep veel vragen op. De adviesaanvraag was een bijna onuitvoerbare opdracht. De tijd was door het grote aantal aanvragers te kort en de criteria die Van der Ploeg had meegegeven waren te onduidelijk. De Raad moet meer mogelijkheden krijgen voor het goed wegen van criteria en om te bekijken of de doelstellingen die de instelling in het beleidsplan geschreven had, zijn waargemaakt. Ook zou de Raad gedurende de beoordelingsperiode van vier jaar instellingen erop moeten attenderen dat de Raad van oordeel is dat de instelling zijn goedgekeurde plannen niet waarmaakt of de artistieke kwaliteit achterblijft. Instellingen voelden zich nu, in een aantal gevallen terecht, overvallen door een negatief oordeel. Er moeten mogelijkheden komen voor het geven van gele kaarten en voor heroverwegingen.

Terug naar Thorbecke. Wat moet de Kamer doen als op adviezen gebaseerde verlagingen of beeïndigingen van subsidies voorliggen die twijfel oproepen? Twijfel over de motivering of over de totstandkoming. En dat dan bij instellingen die al vele jaren gesubsidieerd bestaan en een reputatie hebben opgebouwd bij publiek en deskundigen. Denk aan Holland Festival, Huis Doorn, De Appel, Orkater, Nationale Reisopera of De Rotterdamse Dansgroep of aan de `jonge regisseurs formule' (Fact, Discordia, Carousel).

Moet de Kamer zich dan verschuilen achter de stelling: de Raad heeft nu eenmaal geadviseerd, er is niets meer aan te doen? Dat zou van weinig politieke durf getuigen. In vorige rondes schoof de Kamer in zulke gevallen Thorbecke even een beetje opzij en bepaalde zelf dat in sommige gevallen de subsidie gewoon toch gegeven moest worden.

In deze ronde hebben VVD en D66, aanvankelijk samen met PvdA, die zich echter op het allerlaatste moment in het debat op een verrassende wijze terugtrok, een nieuw voorstel gedaan. Laat de meest evidente gevallen van reeds gesubsidieerde gerenommeerde instellingen die de dupe dreigen te worden van onduidelijkheid in de besluitvorming heroverwegen, met als uitgangspunt het belang van kwaliteit en continuïteit. En laat dat doen door een commissie van deskundigen, verbonden aan de Raad voor Cultuur. Tot nieuwe besluitvorming heeft plaatsgevonden moet de subsidie worden gecontinueerd.

Voor de sector muziek bestaat al een dergelijke constructie. Daar worden onder meer de opheffingsadviezen voor het Noordhollands Philharmonisch Orkest, Nederlands Kamerorkest en Radio Symphonie Orkest door een aparte commissie heroverwogen. Van der Ploeg heeft al verscheidene commissies ingesteld, soms zelfs buiten de Raad om. Voor het museumdeel van het Raadsadvies heeft hij een nieuwe commissie een nieuw advies gevraagd omdat hij vond dat de Raad zijn huiswerk onvoldoende gedaan had. De principiële bezwaren die Van der Ploeg op 13 november tegen het in de Kamer door ons gedane heroverwegingsvoorstel aanvoerde, zijn dan ook weinig geloofwaardig.

Wij menen dat dit voorstel de uitweg is uit het Thorbecke-dilemma. Wanneer twijfel bestaat over subsidiebesluiten kan de Kamer dat niet klakkeloos accepteren want zij houdt haar politieke verantwoordelijkheid, maar zij moet ook niet zelf de knoop doorhakken als de inhoud van de kunst in het geding is. Dan moet er de mogelijkheid zijn van heldere heroverweging, waarbij het kwaliteitsoordeel voorbehouden blijft aan deskundigen die dat oordeel op inhoudelijke gronden kunnen vellen.

Boris O. Dittrich en Atzo Nicolaï zijn leden van de Tweede Kamer en maken deel uit van respectievelijk de fractie van D66 en de VVD.