Intocht

Voor Robby Berghout moet het zondag een zwarte dag zijn geweest. Berghout kwam vorige week in het nieuws als woordvoerder van de Organisatie Pressie Omhoog (OPO) die het bestaan van zwarte Piet veroordeelt. In een brief aan alle Amsterdamse scholen liet hij weten dat Pieten van elke kleur mogen zijn, behalve zwart. ,,Pieterbaas is in zijn huidige zwarte kleur niet welkom.''

Ik heb gisteren een poosje staan kijken naar de intocht van Sinterklaas bij het Centraal Station in Amsterdam, en waar je ook keek: overal zwarte Pieten. Zo'n intocht bestaat niet meer, zoals vroeger, uit een brave stoet van vijf wagens, een paar sullige Pieten en een parmantige Sinterklaas, maar uit een onafzienbaar lange carnavalsachtige stoet waaruit nog maar een paar echte Sinterklaasliedjes opklinken.

De Pieten hadden de tijd van hun leven, alsof er nooit zoiets als koloniale uitbuiting had bestaan. Ze waren met honderden en ze zaten op kanonnen, trampolines, tractoren en paarden. Vaak zijn het uitgezakte mannen van middelbare leeftijd met een baldadige grijns om de lippen, die hun vermommming gebruiken om hun schoolreisjes van vroeger te herbeleven. Het zou me niets verbazen als ze na afloop hun zwartgeverfde pieterman uit de broek halen waarmee ze elkaar uitzinnig toezwaaien.

Sinterklaas zelf lijkt er nauwelijks meer toe te doen. Hij kwam vermoeid achter het hele spul aangesjokt, een verdwaalde man op een grauwe knol.

Wat precies hetzelfde is gebleven als vroeger, dat is de fascinatie bij de kinderen. Even nieuwsgierig als angstig keken ze toe aan de hand van hun ouders of op de schouders van pa. Er waren veel Surinaamse kindertjes bij op wie de banvloek van Robby Berghout evenmin vat had gekregen.

De essentiële dingen van het leven veranderen nooit, dacht ik, en ik wilde net in een wolk van gevaarlijk diepe gedachten naar het station doorlopen, toen ik Ruud Krol zag staan. Ik was bijna over hem gestruikeld, want hij was een heel onopvallende man geworden. Niemand lette op hem. Ik herinnerde me hem nog als de jonge voetbalgod met de wilde manen, een van de beste verdedigers die het Nederlandse voetbal ooit heeft gehad. Hij was nu een man van een jaar of vijftig met een kalend kruintje in een vaalbruine regenjas. Een vrouw in een hemelsblauw jack en twee kinderen een jongen en een meisje vergezelden hem. ,,Nou, was het leuk?'' vroeg Krol aan het jongetje.

Ze gingen het station binnen. Op het eerste gezicht liep Krol nog hetzelfde als vroeger, met die lange uitschuifbare benen die hun voeten onverschillig tegen het plaveisel kwakken. Maar toen zag ik iets vreemds, een slepende hapering in zijn tred, alsof elke stap hem pijn deed. Ze liepen het hele station door. Krol kon vrouw en kinderen niet meer bijhouden. Aan de kant van het IJ verliet hij als laatste het station. Hinkend probeerde hij de anderen in te halen, terwijl hij naar zijn heup greep. Slijtage?

Niets blijft, dacht ik opportunistisch.