`Hoogbouw is goed voor de stad'

De Amerikaanse architectuurhistorica Carol Willis richtte in 1996 het het Skyscraper Museum in New York op. Ze is vooral geïnteresseerd in de economie van het bouwen.

Het nieuwe World Port Center op de Kop van Zuid is nog niet helemaal af, maar Carol Willis vindt het nu al een prachtig gebouw. Tot voor kort had de versierde steenklomp uit 1922 van Hotel New York het alleenrecht op het uitzicht over de Maas vanaf het puntje van de pier, nu krijgt het gezelschap van deze 124 meter hoge wolkenkrabber naar een ontwerp van de Engelse architect Sir Norman Foster. In de glazen doos op de 31ste verdieping gaf zij vrijdag samen met de Maleisische architect Kenneth Yeang de eerste lezing van de Stichting Wolkenkrabbers Rotterdam.

,,Al vanaf de jaren twintig, toen New York en Chicago steeds wedijverden wie de hoogste wolkenkrabber kon bouwen, zien steden hoogbouw als een manier om zich te profileren'', zegt Willis tijdens een gesprek voorafgaand aan haar lezing. ,,Dat is nu niet anders, kijk maar naar het Petronas-gebouw van Cesar Pelli in de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur.''

In 1996 richtte Willis, die ook aan Columbia University in New York doceert, het non-profit Skyscraper Museum op. Het museum is van de ene tijdelijke locatie naar de andere verhuisd, maar op de zuidpunt van Manhattan wordt nu een nieuwe toren gebouwd waar het zich medio volgend jaar definitief zal vestigen. Het richt zich niet zozeer op de architectuur en de techniek van de wolkenkrabber als wel op de politieke en economische omstandigheden die er - letterlijk - aan ten grondslag liggen. ,,Gaandeweg'', zegt Willis, ,,ben ik me steeds minder met stijl gaan bezighouden en steeds meer met de economie van het bouwen.'' Het museum verzamelt daarom ook archieven van projectontwikkelaars en aannemers. Twee jaar geleden verzorgde Willis een facsimile-uitgave van de getypte documentatie van de aannemer van het Empire State Building.

Willis is ook de auteur van het baanbrekende boek Form Follows Finance: Skyscrapers and Skylines in New York and Chicago (Princeton Architectural Press, 1995). Daarin constateert ze dat veel architecten en critici begin twintigste eeuw neerkeken op de wolkenkrabber: het commerciële karakter ervan zou onverenigbaar zijn met de bouwkunst. Die mening deelt zij niet: ,,Bouwwerken als het Empire State Building zijn niet ontzagwekkend, omdat zij door grote architecten zijn ontworpen, maar omdat hun ontwerpers vernuftig te werk gingen binnen een economische formule.'' Ze haalt de treffende definitie aan die Cass Gilbert, architect van het prachtige neogotische Woolworth Building in New York, in 1900 gaf van de wolkenkrabber als `een machine die de grond rendabel maakt'. ,,Of je het nou leuk vindt of niet, projectontwikkelaars en de onroerend-goedmarkt en gemeentelijke verordeningen zijn minstens even bepalend geweest voor de ontwikkeling van dit bouwtype als de kunstzinnige inbreng van de ontwerper.''

In haar boek onderscheidt Carol Willis drie generaties wolkenkrabbers. In het begin van de 20ste eeuw waren architecten en gebruikers nog afhankelijk van daglicht en natuurlijke ventilatie. Daarna werd het dankzij de uitvinding van tl-licht en airco mogelijk om ook in het hart van een groot gebouw werkplekken te maken. En na de Tweede Wereldoorlog kwam de `internationale stijl' op, met zijn de uitdrukkingsloze dozen met glazen gevels, een stijl die in de global economy haast universeel is geworden. Toch is er ruimte voor lokale verschillen, meent Willis. ,,Het Petronas-gebouw in Kuala Lumpur is met het oog op islamitische sierpatronen gebaseerd op de achtkantige ster.''

Het begrip `hoog' is relatief: de 31 verdiepingen van Fosters World Port Center aan de Maas zijn voor New-Yorkse begrippen bescheiden, en de gebouwen aan het Weena waren haar niet speciaal als wolkenkrabbers opgevallen. Toch is hoogbouw volgens Willis een goede strategie is voor de ontwikkeling van Rotterdam. ,,Deze stad is sinds de oorlog op zoek naar nieuwe manieren om het intense stedelijke leven in het centrum weer terug te krijgen, en daarvoor is hoogbouw goed geschikt. Het is wel belangrijk dat ze dat doen in de vorm van mixed use. Dus niet alleen kantoren maar winkels, restaurants en cafés om de straat levendig te houden, en kantoren en woningen.`'

Nederlandse steden hebben een belangrijke voorsprong boven de Amerikaanse: zij hebben de grond in eigendom. Daardoor, zegt Willis, kunnen zij veel sterker het gebruik sturen en voor openbare ruimte zorgen. ,,In Amerika moet de gemeente met talloze particuliere of institutionele eigenaren zaken doen.'' Zo heeft New York in de jaren tachtig een regeling ingevoerd waarbij gebouwen hoger mochten worden als ze op de begane grond openbare ruimte maakten. IBM maakte een fraaie bamboetuin, Citicorp en de Trump Tower maakten combinaties van zitjes, horeca en winkels. Een recente studie wees echter uit, dat een groot deel van deze publieke voorzienigen óf verloederd zijn, óf door de horeca zijn ingepikt. ,,Dat wil niet zeggen dat de regeling een slecht idee was'', zegt Carol Willis met stelligheid, ,,alleen dat je er toezicht op moet houden.''

Zij heeft nog één laatste suggestie voor Rotterdam. ,,De stad moet niet alleen architecten van naam en faam uit het buitenland halen, zoals Renzo Piano en Norman Foster, maar ook de eigen Rem Koolhaas een opdracht geven.'' Dat treft: op de Wilhelminapier, vlak bij het gebouw van Foster, moet in 2004 een 110 meter hoog complex voltooid zijn met kantoren, een hotel, een bioscoop, een sportschool, winkels, restaurants en tweehonderd woningen naar een ontwerp van Rem Koolhaas.