Heiligen met mollige wangen en een onderkin

Klinkende namen als Vaes Quadtduts en Dionysius Riemslegers droegen ze, de beeldsnijders in het Maastricht van omstreeks 1500. Maar de 16de-eeuwse archiefstukken waar deze kunstenaars in worden vermeld, zijn meteen de enige tastbare documenten van het bestaan van deze meesters, want van hun hand is geen enkel werk meer bekend. Het verbinden van een kunstenaarsnaam aan ongesigneerde en ongedocumenteerde sculpturen is, zeker voor die periode, dan ook een hachelijke onderneming. Het is natuurlijk mogelijk een oeuvre te reconstrueren door op stilistische gronden toeschrijvingen te doen. Maar de etiketten die zulke groepen van werken dan krijgen, dragen vaak een noodnaam, zoals - om in het zestiende-eeuwse Limburg te blijven - die van de Roermondse `Meester van Elsloo'.

Een opvallende uitzondering op deze regel is Jan van Steffeswert (voor 1470-na 1525), aan wiens werk het Bonnefanten Museum een mooie tentoonstelling wijdt. Ongebruikelijk voor Noordeuropese beeldsnijders van de late middeleeuwen, beitelde Jan zo nu en dan zijn naam in het voetstuk van een voltooid beeld. De kern van het oeuvre dat aan hem wordt toegeschreven, bestaat uit maar liefst twaalf werken met opschriften als `Jan van Weerd', `Jan Bieldesnider van Weerd', soms kortweg `Jan' en tenminste eenmaal voluit `Jan van Steffeswert'. Dat het bij alle variatie in schrijfwijze toch telkens om dezelfde persoon gaat, blijkt uit het meesterteken dat de signaturen steeds vergezelt. Zijn achternaam zou kunnen doen vermoeden dat hij afkomstig was uit het Limburgse Stevensweert. Maar uit 16de-eeuwse documenten die ook nog het een en ander over zijn leven en werk vertellen, blijkt dat Jan van Steffeswert in de decennia rond 1500 een productief atelier heeft gehad in de welvarende stad Maastricht.

Alle gesigneerde werken zijn, samen met zo'n zestig toegeschreven beelden en atelierwerk, in de tentoonstelling te zien. Je kunt je voorstellen waarom meester Jan ze trots en zelfbewust van zijn naam heeft voorzien. Zijn vrouwelijke heiligen zijn wonderen van een tijdloze schoonheid, met hun fijne gezichten waarin scherpgesneden trekken steevast samengaan met een zachte molligheid in de wangen en een kleine onderkin, en het elegante gebaar waarmee ze vaak een slip van hun gedetailleerd weergegeven gewaad ophouden. Maar Jan van Steffeswert had ook oog voor het anekdotische, zoals is te zien in de twee kleine engelen die deel uitmaken van het Marianum (1524), een grote groep met twee Mariabeelden, dat afhangt van het gewelf van de Dom van Aken en daar niet voor de duur van de expositie kon worden weggehaald. Met hun wapperende haren en hun ernstige gebaren die op dat kleine formaat aandoenlijk worden, verlenen de figuurtjes speelsheid aan de statige groep.

Na alle ingetogenheid en sereniteit is een groep voorstellingen van de lijdende Christus van een bijna schokkend realisme. Deze werken tonen de andere kant van de laatmiddeleeuwse geloofsbeleving, waarin de gruwelijkheid van de passie gedetailleerd en zo aansprekend mogelijk werd verbeeld. Bij uitgemergelde en bebloede kruisbeelden die aan Van Steffeswert worden toegeschreven, gaat dat zo ver dat de doornen van Christus' kroon zich niet alleen in diens voorhoofd dringen, maar ook weer, als een wenkbrauwpiercing, in de oogkassen naar buiten komen.

De veelzijdige productie van Jan van Steffeswert en zijn leerlingen is een dankbaar onderwerp voor een reconstructie van de atelierpraktijk van een beeldsnijder in de middeleeuwse Nederlanden. Expositie en catalogus maken veel werk van de materiaaltechnische aspecten van de sculpturen. Onvermijdelijk zijn opmerkingen over de polychromie, waarvan de meeste beelden al direct na voltooiing werden voorzien. Van de ongelukkige resultaten die dat kan opleveren, toont de expositie een paar angstwekkende staaltjes. Veel fascinerender is het te zien hoe beelden blijken te kunnen worden toegeschreven door nauwkeurige analyse van de methoden die in de werkplaats werden gehanteerd. Sporen die metalen klemmen op de werkbank van de beeldhouwer in het hout achterlaten bijvoorbeeld, vormen de vingerafdruk van het atelier. Maar beelden met identieke werksporen zijn zeker niet per definitie van de hand van een en dezelfde meester. In de tentoonstelling is, in reeksen beelden met identieke of vergelijkbare thema's, mooi te volgen hoe leerlingen of assistenten een inventie van de meester overnamen en met variaties reproduceerden. Zo te zien hadden sommigen nog heel wat te leren van Jan `bieldensnider' van Steffeswert.

Tentoonstelling: Op de drempel van een nieuwe tijd; de Maastrichtse beeldsnijder Jan van Steffeswert. Bonnefanten Museum (Avenue Céramique 250, Maastricht). T/m 11/2. Catalogus (Uitg. Snoeck-Ducaju & zn):

316 blz., f 80,00.

Jan van Steffenswert

In de recensie Heiligen met mollige wangen en een onderkin over de 16de-eeuwse beeldhouwer Jan van Steffeswert (in de krant van maandag 20 november, pagina 11) is een cruciale zin weggevallen met betrekking tot latere overschilderingen van polychrome beelden. Daardoor lijken de oorspronkelijke, laatmiddeleeuwse beelden `angstwekkende staaltjes' op te leveren. Hier volgt de juiste tekst: [...] Onvermijdelijk zijn opmerkingen over de polychromie, waarvan de meeste beelden al direct na voltooiing werden voorzien. Soms is die in de loop der tijd vervallen of weggehaald, vaak ook overgeschilderd. Van de ongelukkige resultaten die dat kan opleveren, toont de expositie een paar angstwekkende staaltjes. [...]