Een Europese militaire legpuzzel

Europese ministers buigen zich vandaag over de samenstelling van de snelle interventiemacht die in 2003 operationeel moet zijn.

Manschappen zijn er voldoende voor een Europese militaire interventiemacht die vanaf 2003 binnen zestig dagen op de been gebracht moet kunnen worden om een vredesoperatie uit te voeren. Maar waaraan het schort is materieel.

De ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van de Europese Unie die vanmorgen in Brussel zijn begonnen met overleg over de concrete samenstelling over de nog papieren Europese militaire macht, de Rapid Reaction Force, hebben hiervoor nog geen oplossing.

Het overleg over nauwere samenwerking op het gebied van defensie in Europa is in een stroomversnelling geraakt na de Frans-Britse topontmoeting in Saint-Malo van december 1998. Daar schaarden de Britten zich achter het streven naar een militaire macht van de Europese Unie voor crisissituaties. Het is geen Europees leger waar men sindsdien over praat, het is meer een militaire legpuzzel. Zowel aan de EU-lidstaten als aan Europese landen die niet tot de EU behoren is gevraagd om bijdragen toe te zeggen waarmee in geval van een crisis een militaire interventiemacht van 60.000 manschappen opgezet kan worden. Verwacht wordt dat totaal meer dan 100.000 manschappen toegezegd worden. Dat maakt het mogelijk om tijdens een vredesoperatie manschappen af te lossen.

Die militairen hebben niet alleen als taak om zich gereed te houden om samen met andere Europese militairen een interventiemacht te vormen. Ze kunnen tegelijkertijd een NAVO-taak en een nationale verplichting hebben. De EU wil dat na 2003 bij een crisis de keuze bestaat tot een zelfstandig optreden, een ingrijpen in samenwerking met de NAVO en het optreden van uitsluitend te NAVO. Omdat troepen die in theorie verschillende taken hebben maar in de praktijk slechts op een plaats tegelijk kunnen zijn, zullen volgens een hoge EU-functionaris EU en NAVO in de problemen komen als er tegelijkertijd drie crises zijn.

Als de EU op dit ogenblik een vredesoperatie zou willen uitvoeren, zou zij volkomen afhankelijk zijn van samenwerking met de NAVO. De Europese landen hebben onvoldoende middelen voor lucht- en zeetransport van militairen en voor commandovoering en communicatie. Op het gebied van transport proberen Europese landen al zelfstandiger te worden. Zeven EU-lidstaten willen een nieuw Airbus militair transportvliegtuig kopen. Nederland wil samen met Duitsland tankvliegtuigen aanschaffen voor het tanken in de lucht. Met Frankrijk praat Nederland over samenwerking bij zeetransport. Tot nu toe hebben de Europese landen slechts tien van de benodigde 61 transportschepen voor de interventiemacht ter beschikking gesteld.

De grote financiële pijn zit bij de Franse en Italiaanse wens om ook een eigen Europees satellietsysteem te ontwikkelen en daardoor onafhankelijk te worden van Amerikaanse inlichtingen. Daarover bestaat tussen de Europese landen nog geen enkele overeenstemming.

Over geld wordt bij de hele voorbereiding van de Europese interventiemacht trouwens zo min mogelijk gesproken. Voorlopig is de afspraak dat alle deelnemende landen hun eigen aandeel aan de legpuzzel van de militaire interventiemacht financieren uit hun nationale defensiebegrotingen.

Voordat vanaf 2003 de Europese interventiemacht uitgestuurd kan worden moeten nog veel zaken worden geregeld. Zo moet er een permanente afspraak komen voor de betrekkingen met de NAVO, die tot nu toe op basis van voorlopige regelingen verlopen. Ook moet de EU overeenstemming bereiken over de manier waarop niet-EU-landen worden geconsulteerd.

Turkije vormt daarbij het belangrijkste probleem. Dit NAVO-land wil niet door de EU over een mogelijke vredesoperatie worden geconsulteerd, maar wil zelf aan de besluitvorming deelnemen. De EU weigert dat. Morgen overleggen de EU-ministers van Defensie met hun collega's van de NAVO-landen die niet tot de EU behoren, waaronder behalve Turkije, ook Noorwegen, IJsland en landen in Midden- en Oost-Europa.

Volgend jaar hoopt de EU ook een oplossing te vinden voor het probleem van de civiele crisisbeheersing, waarvoor een politiemacht van 5.000 manschappen beschikbaar moet komen. Op de Balkan is gebleken dat het de EU-lidstaten niet lukt om politieagenten bereid te vinden naar een buitenlandse crisishaard te gaan. Alleen Frankrijk, Spanje en Italië kunnen politieagenten die onder het ministerie van Defensie ressorteren naar het buitenland sturen.