Voetbal in Antwerpen, beeld van bezette stad

De historische wedstrijd Antwerp-Beerschot dompelt Antwerpen morgen in de sfeer van een bezette stad. De eerste derby sinds 1991 vereist een leger ordehandhavers om de supportersbendes te scheiden.

Het beeld roept de gedachtegang op van Paul van Ostaijens `Bezette Stad'. De bevlogen Antwerpse humanist beschreef in zijn gelijknamige boek in 1922 de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Hij stuurde een hartekreet uit omtrent de `Broederschap der Volkeren'.

Van Ostaijens droom is verder weg dan ooit. Antwerpen baadt in de angst. Angst voor het vreemde, angst voor zichzelf. Niet alleen kondigen de vandalen grof geweld aan, de stad der sinjoren spartelt ook om aan de wurggreep van het Vlaams Blok te ontkomen. De partij drijft op de in Nederland verboden slogan `eigen volk eerst'. Ze wordt aangevoerd door blinkende blanke binken, die zich rijk rekenen over de rug van asielzoekers.

Antwerp stond het Vlaams Blok toe in haar stadion zijn verkiezingscongres te organiseren, wat op het nippertje werd verijdeld door het stadsbestuur. Beerschot trekt scherp van leer tegen het racisme van de eigen fans en verwijderde onlangs twee raddraaiers van de tribune, die ostentatief de Hitlergroet hadden gebracht.

`Ik wil deze nacht in de straten verdwalen. De klank van de stad maakt mijn ziel amoureus.' Volkszanger Wannes Van de Velde weeft de flamenco door zijn Antwerpse liedjes. De bekendste versregel van zijn liederenschat tekent de klankkleur van de bruisende metropool die Antwerpen in zijn beste tijden is geweest. Daartoe behoorden de hoogdagen van het Antwerpse derby, in de jaren twintig en vijftig.

1901. De eerste Beerschot-Antwerp. Na de zoveelste interne vete bij FC Antwerp, de oudste Belgische voetbalvereniging, rolde Beerschot letterlijk uit de schoot van de moederclub. Oorzaak: standing. Antwerp wilde vergaderen in een volkscafé, de latere stichters van Beerschot verkozen le grand chique: een restaurant met wijn. Daarmee openbaarde zich ook een, zij het eerder bescheiden, levensbeschouwelijke scheur. Antwerp: katholiek, sociaal en volks. Beerschot, vrijzinnig, aristocratisch en elitair.

De liberale burgerij vond meteen de weg naar de nieuwe club, die talrijke rijkeluissporten promootte: paardrijden, polo, hockey, cricket en tennis. Beerschot roofde de spelerskern leeg van Antwerp, dat noodgedwongen één jaar niet in competitie aantrad. Hiermee zaaide het de kiemen voor een honderdjarige rivaliteit.

1920. Olympische Spelen in Antwerpen. Het gemoderniseerde stadion Het Kiel gaf Beerschot vleugels. Antwerp bleef niet achter en opende in 1923 stadion De Bosuil. Olympisch Stadion en De Bosuil herbergden respectievelijk 30.000 en 40.000 toeschouwers en dienden als decor voor de prestigieuze Derby der Lage Landen. De stadions schonken welstand en veroorzaakten een keerpunt.

De Antwerpse voetbalschool golfde mee op de kracht van de bruisende jaren twintig. Dis Bastin (Antwerp) en Raymond Braine (Beerschot) boetseerden Antwerpen tot dé Belgische voetbalhoofdstad van het decennium 1922-1931. Beerschot, paars, (5) en Antwerp, rood, (2) wonnen zeven van de tien titels. Bastin was een noeste en rechtlijnige arbeider op het veld met altijd dezelfde variatie op een thema. Braine gold als een hoofse heer van stand. Onverwachte wendingen, met een elegante efficiëntie. De baken van Beerschot, briljant én berekend.

Beiden demonstreerden het voor een havenstad typische wereldburgerschap. Tijdens de `Grooten Oorlog' belandde de familie Bastin na een kommervolle tocht in Londen. De piepjonge Dis schopte het tot in het tweede van Chelsea. In de jaren dertig was Braine de veroveraar van Praag. Destijds het epicentrum van Europese topvoetbal. Dis Bastin en Raymond Braine, een wereld van verschil. Hét verschil tussen Antwerp en Beerschot. Beerschot stond onder de weldadige invloed van de Latijnse cultuur: artisticiteit, frivoliteit en individualisme. Antwerp koos voor de Britse school: degelijkheid, discipline en groepsgevoel.

1950. Het Antwerpse voetbal floreerde opnieuw. Dankzij de twee boegbeelden Vic Mees (Antwerp) en Rik Coppens (Beerschot). Mees, de aanvoerder, was gehuwd met een Engelse vrouw en bleef zijn hele leven de Britse huisstijl trouw: gentleman, fair-play, de echte ploegspeler die teamspirit als het hoogste goed beschouwde. Hij stuwde Antwerp naar titel en beker.

Coppens was de volledige antipode van Mees. Hét symbool van de roaring fifties. De voetbalpendant van Elvis Presley en James Dean. Heupwiegende hoogstandjes in het stadion die de duizenden toeschouwers deden kraaien van de pret. Goddelijke dribbelaar tussen Stanley Matthews en Garrincha. Anarchist en anti-christ. Ni dieu, ni maître. Alleen zichzelf. Hij bezorgde Beerschot vermaardheid tot in Belgisch Congo toe, maar geen trofeeën.

Met het afscheid van Coppens en Mees gleden Beerschot en Antwerp uit de top. Het voetbal in de Scheldestad vergrauwde. In de jaren tachtig ebde de belangstelling voor de derby helemaal weg. Beerschot balanceerde voortdurend tussen fraude en faillissement. Bij Antwerp sloopten de hooligans het eigen stadion. De reddende hand diende zich aan uit het buitenland.

2000. Manchester United participeerde in Antwerp, Ajax haalde het inmiddels tot fusieploeg omgedoopte Germinal Beerschot Antwerpen uit het slop. Het naar de beroemde roman van Emile Zola genoemde Germinal nestelde zich in de jaren negentig in de Belgische subtop. Het kleine stadionnetje in het romantische park raakte desondanks nooit uitverkocht. Een noodgedwongen samensmelting met Beerschot gaf Germinal ademruimte en redde de paarse trots van een trieste dood. Toch raakt het Antwerps voetbal niet uit het moeras. Briljante voetballers, zoals de helden van weleer, dienen zich niet aan. De schaduw van het verval hangt nog steeds over het spel om de bal in de Scheldestad.

Ergens in een bruine kroeg zingt Wannes Van de Velde zachtjes een melancholische flamenco, mijmerend over Van Ostaijens grote verlangen. Buiten woedt de zoveelste slag tussen de supporters van Beerschot en Antwerp, eens de fiere vaandeldragers van het Belgisch voetbal.

Scheldestad teert op gloriejaren van Mees en Coppens