Vieze grond, vuile handen

Afvalbedrijven, stortplaatsen en een zelfstandig orgaan van de rijksoverheid komen negatief tevoorschijn uit een mega-onderzoek naar handel in en opslag van vervuilde grond. Alles draaide om het ontduiken van milieuheffingen.

Voor Henk van Zoelen is het een wonderlijke aanvang van zijn nieuwe baan. De blijmoedige Gelderlander heeft net zijn eerste werkdag beleefd als directeur van het Service Centrum Grond (SCG) in Houten. Een functie die er mag wezen. Het SCG voert voor de rijksoverheid wettelijke taken uit op het gebied van bodemsanering. Van Zoelen heeft twintig jaar als Brabants provincie-ambtenaar in dat veld gewerkt, en de overstap naar de SCG-directie is voor hem een fraaie promotie.

Nog geen week werkt hij er, het is april 1999, of op een ochtend hoort hij raar geluid. Politie op de stoep. ,,Of ze dossiers mochten meenemen'', herinnert Van Zoelen zich. ,,Natuurlijk, geen probleem, zei ik.'' Een paar weken later is het weer prijs: opnieuw komt een team dossiers ophalen. En driekwart jaar later, februari dit jaar, volgt de grote klap: twee medewerkers van het SCG worden aangehouden. Ze verblijven enkele dagen in voorarrest. En enkele weken daarop wordt een derde SCG-medewerker, nu met hogere functie, opgehaald: ook enkele dagen voorarrest. ,,Dat was nog eens schrikken'', aldus Van Zoelen. Al hebben de verdachte feiten zich vóór zijn komst afgespeeld, zonder aarzeling zegt hij: ,,Mijn mensen hebben naar eer en geweten gehandeld.''

Een rechercheteam, dat het SCG en enkele partners in de bodemsanering heeft onderzocht, denkt daar genuanceerder over. Vorige maand maakte de teamleiding, proces-verbaal op voor de Rotterdamse officieren van justitie J. de Boer en M. Kaptein. In dat verbaal (codenaam: Moeras) adviseren de rechercheurs het SCG als rechtspersoon te vervolgen, alsook vijf (ex-)SCG-personeelsleden. Bij het SCG zou tussen 1995 en 1999 op omvangrijke schaal valsheid in geschrifte zijn gepleegd, waardoor afvalondernemers en stortplaatsen voor miljoenen guldens milieuheffingen konden ontlopen.

Het SCG mag geen grote bekendheid hebben, het is een orgaan waar vele bestuurlijke zwaargewichten bemoeienis mee hebben gehad. Het bestuur van het SCG (in 1989 als stichting gevormd door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne) bestaat van oudsher uit Haagse topambtenaren, waterschapsbestuurders, gedeputeerden en wethouders; een enkeling is inmiddels Tweede-Kamerlid.

Politie en justitie hebben al besloten deze verantwoordelijke bestuurders niet te vervolgen – maar daarmee eindigt het verhaal niet. De Rotterdamse hoogleraar bestuurskunde A. Ringeling mag de komende weken een dik pak diskettes op het politiebureau ophalen: het Moeras-dossier. Politie en justitie hebben met Ringeling afgesproken dat hij het (dis)functioneren van de bestuurders in de SCG-zaak in een aparte rapportage beoordeelt.

Het SCG is in 1989 met enkele miljoenen guldens startsubsidie van Vrom gevormd om de markt van bodemsanering te stroomlijnen en stimuleren. Uit geldgebrek heeft het rijk na de affaire-Lekkerkerk in 1980 (een woonwijk gebouwd op gifgrond) de bodemsanering overgelaten aan provincies en grote steden. Samen met marktpartijen financieren zij urgente projecten, soms gesteund door rijksgeld. Verder heeft Vrom geen greep op de markt. Daarom zet het ministerie in 1989 het SCG in de markt. Het krijgt talloze taken, die worden ondergebracht in drie NV's. Belangrijke wettelijke taak is adviseren of verontreinigde grond schoongemaakt kan worden. Daarna wordt vaak een `SCG-verklaring' over de grond afgegeven: een officieel overheidsstempel dat financiële waarde kan hebben. De NV's fungeren ook als grondbank en ressorteren onder een directie, die weer onder het SCG-bestuur valt. Als het landelijk rechercheteam eind 1997 zijn onderzoek naar het SCG start, zijn de NV's uitgegroeid tot serieuze bedrijven, vooral in de grondhandel. Ze hebben een gezamenlijke omzet, schat toenmalig SCG-directeur S. Brunekreef, van honderd miljoen gulden, en een winst van vier miljoen.

In 1995 zijn de wettelijke taken van het SCG verzwaard. Dat heeft alles te maken met veranderde inzichten over bodemsanering. Door de economische boom groeien de tekorten aan grond. Zodoende besluit het rijk dat niet langer alle licht verontreinigde grond schoongemaakt moet worden. Integendeel, het (her)gebruik van die grond wordt gestimuleerd. Want, zo is de nieuwe communis opinio, het verwerken van licht vervuilde grond onder een weg of in een dijk levert, mits goed afgedekt, verwaarloosbaar milieugevaar op.

Wie toch licht verontreinigde grond op een afvalberg stort moet voortaan 29,90 gulden per ton Wbm-heffing betalen (Wet belastingen op milieugrondslag). En dat tarief is zo hoog, dat de facto een stortverbod voor licht verontreinigde grond van kracht wordt.

Anders is het met ernstig verontreinigde grond. Als die zo zwaar vervuild is, dat reinigen technisch te ingewikkeld of te duur is, moet zulke grond naar een stortplaats. Maar door de grote tekorten blijkt soms ook die grond in dijken of soms zelfs onder woonwijken terecht te komen: nog altijd een ernstig milieudelict. Dat, meent de wetgever, moet radicaal worden tegengegaan.

Daarom krijgt iemand die zwaar verontreinigde grond, die te duur is om te reinigen, naar een stortplaats brengt, voortaan grote fiscale voordelen. Dan hoeft men de stortbelasting van 29,90 per ton niet te betalen. Het is prachtig milieubeleid, althans op papier: wie het ongewenste doet moet dik betalen, wie het gewenste doet krijgt een vet fiscaal voordeel.

Want iedereen in de afvalbranche kan op de achterkant van een sigarendoos voorrekenen waarom de verleiding tot misbruik van de regeling zo groot is. Een partij afval is al gauw 25.000 ton. Als je, op papier, kan aantonen dat het zwaar verontreinigde grond is, ook al is het een ander goedje, dan verdien je als afvalbedrijf zomaar 25.000 keer 29,90 gulden: circa driekwart miljoen. Voor één partij afval.

De rol van het SCG hierin is cruciaal. Want het SCG is vanaf 1995 het orgaan dat de verklaringen moet afgeven waarmee de fiscale voordelen kunnen worden verkregen. Daarvoor moet een bedrijf bij het SCG een zogenoemde `verklaring van niet-reinigbare grond' los krijgen. En bij de afgifte van deze verklaringen, zo blijkt tijdens het politieonderzoek, is het misgegaan.

Dat na de introductie van de regeling in de afvalmarkt een run ontstaat op die verklaringen, is destijds ook op het SCG vastgesteld. ,,Het werd een sport verklaringen van niet-reinigbare grond te krijgen'', zegt Thom Maas, destijds op het SCG hoofd van de afdeling die de verklaringen uitgaf. ,,Die waren geld waard.'' Ook toenmalig SCG-directeur Brunekreef ziet het gebeuren. Van het totale aanbod verontreinigde grond – miljoenen tonnen per jaar – stijgt het aandeel 'niet-reinigbare' grond na 1995 ineens met tien tot twintig procent. ,,Er werd dus gesjoemeld, resultaten van grondproeven werden gemanipuleerd. Dat kon niet anders.'' Het hing uiteraard samen met het grote geld dat die verklaringn waard waren, beaamt hij. Het SCG-bestuur wordt al in 1995 op de hoogte gesteld, zegt de oud-directeur.

Eind 1997 komt bij de politie harde informatie binnen over kwestieuze SCG-verklaringen. Het kernteam milieucriminaliteit van de Rotterdamse recherche besluit daarop tot een landelijk onderzoek. Het wordt op de voet gevolgd door officieren van justitie De Boer en Kaptein en zal drie jaar vergen; er werken gemiddeld vijftien rechercheurs aan. Niet alleen wordt het SCG onder de loep genomen. Ook stortplaatsen en afvalbedrijven worden onderzocht. Want het SCG mag mogelijk rare verklaringen afgeven, het financiële voordeel gaat naar die twee. Dat is het gevolg van de ingewikkelde wijze waarop de heffingen worden opgelegd. De eindverbruiker (stortplaats) is de heffing schuldig aan de belastingdienst, en moet die in rekening brengen bij de ontdoener (het afvalbedrijf) als die afval stort dat geen grond is. Het afvalbedrijf én de stortplaats hebben daarom belang bij incorrecte SCG-verklaringen, omdat zij zo belastingvoordeel bereiken waarop ze geen recht hebben, vermoedt de politie. Drieduizend afvalpartijen, die bij het SCG als `niet-reinigbaar' in de boeken zijn beland, worden door de politie onderzocht. Bij het doorploegen van al die papieren treft de politie SCG-verklaringen aan waarin de meest exotische afvalsoorten ineens als grond in de boeken staan. Dat brengt immers geld op. Zo is er een verklaring die buikdenning als `niet-reinigbare grond' typeert. Buikdenning? Met buikdenning wordt de bodem van een vrachtschip afgedekt. Als het lang meegaat, en veel lading verstouwt, kan het knap giftig worden – maar grond is het allerminst. Ook heeft het SCG voor boorgruis een verklaring afgegeven. Boorgruis resteert na gas- of olieboringen op zee, het is veelal vermengd met chemicaliën en kán gif zijn – maar grónd?

Bij de politie groeit het vermoeden dat hier valsheid in geschrifte is gepleegd. Uit de papierberg worden tussen de 20 en 25 suspecte SCG-verklaringen gelicht, daarop wordt verder gerechercheerd. Eerste aanhoudingen volgen voorjaar 1999; er zullen er bij stortplaatsen en afvalbedrijven nog tientallen volgen.

SCG-medewerkers die door de politie zijn gehoord, beamen dat zaken verkeerd moeten zijn gegaan. Voor een deel zijn ze beduveld door de bedrijven die de verklaringen aanvroegen, zegt Thom Maas, in de onderzochte jaren hoofd van de SCG-afdeling die de betwiste verklaringen afgaf. Hij is begin dit jaar verhoord als verdachte en de politie heeft het OM vorige maand geadviseerd hem te vervolgen. Maar zijn handelen is volstrekt te goeder trouw geweest, zegt Maas; directeur Van Zoelen en talloze SCG-bestuurders, zoals toenmalig voorzitter Verheijen, vertrouwen hem.

Essentieel, zeggen Van Zoelen en Maas, is dat de wetgever destijds niet exact heeft gedefinieerd wat `grond' is; de definitie is pas dit jaar gepubliceerd. Daardoor is er na 1995 een schemerzone. Maar bij twijfel is contact gezocht met het ministerie, zegt Maas. Pas als daar werd gezegd dat het akkoord was, werd voor zo'n geval een SCG-verklaring afgegeven.

Toch is het SCG volgens de recherche ook zelf in de fout gegaan. Tot grote verrassing van het team wordt duidelijk dat het SCG in die tijd de aangemelde `niet-reinigbare' partijen niet controleert voordat een verklaring wordt afgegeven. Volgens de politie wordt de uitoefening van deze wettelijke taak zo op grove wijze door het SCG veronachtzaamd. Maas en Van Zoelen beamen dat de afgifte van de verklaringen tot vorig jaar voornamelijk administratief werd uitgevoerd. Daarom is volgens het verbaal van de Moeras-zaak de toenmalige SCG-leiding de gebrekkige controle aan te rekenen. Die had er volgens de recherche minimaal op toe moeten zien dat deze taak afdoende werd uitgevoerd. Bovendien meent men over voldoende schriftelijk bewijs te beschikken dat ook destijds binnen het SCG bekend was dat verklaringen van niet-reinigbaarheid alléén voor grond afgegeven konden worden. Eén document, een intern SCG-stuk van 9 december 1997, vormt een belangrijk bewijsstuk: het is in afschrift gezonden aan drie met name genoemde Vrom-ambtenaren.

Najaar 1998, als het onderzoek een jaar loopt, grijpt de belastingdienst in. Die neemt via de Fiod deel in het politieonderzoek. Op grote schaal begint men naheffingen stortbelasting op te leggen aan de stortplaatsen. Zij zijn als eindgebruiker van het afval heffingsplichtig en worden geacht de 29,90 gulden per ton in rekening te brengen bij de ondernemer die afval levert. En nu zegt de belastingdienst ineens: ook het bedrijf dat een SCG-verklaring inzake grond bezit, moet milieuheffing betalen als ander afval is gestort.

Een van de eerste die aan de beurt komt is Proav in Dordrecht (in handen van de provincie Zuid-Holland). Snel volgen er meer. Totaal worden de jaren erna ruim tien stortplaatsen met naheffingen geconfronteerd. Hoe hoog ze zijn willen de meeste niet zeggen maar ze lopen in de miljoenen, zegt adjunct-directeur G. van Bezooijen van de Vereniging van Afvalverwerkers. ,,Ik ken één geval van veertien miljoen.''

De stortplaatsen zeggen allemaal: voor die partijen waren toch SCG-verklaringen? Dan komt de aap uit de mouw. ,,De belastingdienst zegt in feite'', aldus een woordvoerder van Proav, ,,dat de SCG-verklaring van nul en generlei waarde is. Interessant! De ene overheid zegt over de andere: die lui kan je niet vertrouwen.''

En het blijft niet bij naheffingen. Nu komt de recherche in actie. Bij zeker vier stortplaatsen worden invallen gedaan. Personeel en directies worden aangehouden, boekhoudingen in beslaggenomen. Het gebeurt vrijwel allemaal buiten de publiciteit.

Directeur G. van Gorcum van de ARN in Weurt bij Nijmegen (ook gehoord, ook gearresteerd) kan er nog steeds niet over uit. Hij is onschuldig, benadrukt hij. Achteraf is door de provincie vastgesteld dat op zijn stortplaats vrachten afval zijn aangekomen die niet altijd correspondeerden met de SCG-papieren, maar het is absurd dat ARN daarvoor moet opdraaien, meent hij. ,,Ik verbaas me dat achteraf is gebleken dat het SCG geen controles uitvoerde als ze die verklaringen afgaven. De medewerkers van het SCG hadden kunnen weten dat dit mogelijk tot misstanden zou leiden. Het SCG had moeten overleggen met het ministerie van Vrom en uitleggen dat men te maken had met moeilijk werkbare regels.''

Na afronding van het rechercheonderzoek adviseert de politie het OM vier stortplaatsen en enkele van hun medewerkers te vervolgen. Het zijn, behale Proav en ARN, de Rotterdamse stortplaats Dop Noap (onderdeel van de gemeente Rotterdam) en Nauerna in Assendelft (van de provincie Noord-Holland). Proav wordt verweten onvoldoende controle te hebben uitgeoefend op inkomend afval met een betwiste SCG-verklaring (een milieudelict), Dop Noap zou afval hebben ontvangen waarvan vaststond dat het geen grond was, ondanks een SCG-verklaring. Alle stortplaatsen behalve Dop Noap (die weigert commentaar) ontkennen schuld.

Met het inbeslaggenomen materiaal van de stortplaatsen heeft de recherche het breekijzer om de laatste keten in de afvalbranche onder de loep te nemen. De afvalbedrijven en hun adviseurs. Ook bij die bedrijven – onder meer in Schiedam, Zwolle, Velsen – worden administraties in beslaggenomen en aanhoudingen verricht. Het totaal van de hele operatie komt zo op meer dan vijftig verdachten die door de politie zijn verhoord.

Dat de operatie hier eindigt is logisch. De bedrijven zijn immers degenen die, soms met valse gegevens, soms door krasse overreding, bij het SCG de verklaringen loskregen die de aanleiding van de ellende zijn. Acht van hen komen volgens het Moeras-dossier in aanmerking voor vervolging. Niet alle namen zijn deze krant bekend.

De recherche heeft onderzocht of het SCG corrupt is. Of alle verklaringen voor exotisch afval, die per exemplaar vaak al een miljoen of meer waard waren, en zonder controle werden verstrekt, het gevolg waren van omkoping. Er is geen bewijs gevonden. Wat resteert is het verwijt dat de uitvoering van de wettelijke taak door de leiding is veronachtzaamd. Plus de waarneming dat alle bestuurlijke betrokkenen, van het SCG-bestuur tot en met Vrom, kennis van problemen niet accuraat hebben omgezet in daden: vandaar de opdracht aan hoogleraar Ringeling.

Het ministerie van Vrom wilde als enige betrokkene niet met deze krant in gesprek treden over het SCG.