Typisch Nederlands

Zijn we veranderd zonder het zelf te zien? Om te weten hoe `typisch' we zijn gebleven, zijn we aangewezen op de blik van de buren: de Belg, de Duitser en de Brit. De Nederlandse mens op de grens van twee eeuwen.

Als je je volk wilde leren kennen, moest je in het leger of bij de marine. Je ontdekte dat er typische Limburgers bestonden, Zeeuwen, Amsterdammers, enz. Dat was niet moeilijk, tot de dienstplicht werd afgeschaft. Daarna was je aangewezen op de televisie en het openbaar vervoer. De televisie is niet het beste medium omdat de camera een selectie maakt. Je hebt `de mensen in het nieuws' en de mensen die erbuiten weten te blijven. Eerstgenoemden hebben zich anders leren gedragen. Ze zijn op weg om Bekende Nederlander te worden, of ze zijn het al. De Bekende Nederlander is geen typische Nederlander maar een afsplitsing. Voor volkenkundige studies is de televisie niet het beste middel. Blijft over: het openbaar vervoer.

Ik ging met de trein, werd via de intercom begroet door iemand die zei: `Goeden-mmmmmorgen dames en heren, jongens en meisjes. Jullie zitten in de trein van Amsterdam naar Rotterdam.' Het klonk me iets te leuk, te lollig, te dichtbij. Niet lang daarna kwam de spreker de coupé binnen, een man aan de dikke kant. Ik liet hem mijn `geldig plaatsbewijs' (kaartje) zien. Goedaardig type van tegen de middelbare leeftijd. Hij had een ringetje in een van zijn oren. Hij werd gevolgd door een jongere collega wiens haar rechtop stond, zorgvuldig geformeerd in tientallen pieken die aan de uiteinden gebleekt waren.

Zo gaat het. Eerst moet iets je opvallen, dan ga je erop letten, daarna geloof je dat je een ontdekking hebt gedaan en tenslotte wordt het – als je niet oppast – een fixatie. Zo begon ik de nieuwe Nederlandse man te ontdekken. De eervorige Nederlandse man droeg een das, had zijn schoenen een maand niet gepoetst en als hij ijdel was, bewerkte hij zijn haar wel eens met een zakkammetje. Toen ging de das af. Vrijetijdsjekken vervingen jasjes, de mannen van de modebewuste voorhoede zagen eruit alsof ze aan een parachute naar beneden waren gekomen. Typische Nederlanders. In het buitenland haalde je ze er meteen uit.

Daarna heb ik blijkbaar niet goed opgelet. Het nieuwe type Nederlandse man verzorgt zich. Wij hebben, denken we, een klassenloze maatschappij. Voor de omgangsvormen gaat dat misschien min of meer op, maar niet voor het uiterlijk. De hogere klasse steekt zich in mooie pakken en zorgvuldig gekozen overhemden en dassen. Die van de lagere hebben de opsmuk ontdekt. Gedurfde kleurencombinaties, baseballpetjes, en vooral het ringetje in het oor. Denk niet dat ik er iets tegen heb. Ik schrijf als een etnoloog in eigen land. Het valt me op. Mannen van middelbare leeftijd, verder nog van top tot teen met een huisvadersfysiek, hebben de verleiding niet kunnen weerstaan. Een oorlel laten piercen.

In Engeland en Duitsland doen ze het ook, in Latijnse landen veel minder, op de Balkan (voorzover ik heb gezien) nauwelijks. Ik veronderstel dat ze daar nog een ander macho-imago erop na houden. Hier is niet de macho op de terugtocht, maar wel zijn traditionele verschijningsvorm. Is het een mode, een definitieve verandering van type? De tijd zal het leren.

De voorstelling die we van een typische Brit, Belg, Duitser enz. hebben, is hardnekkig. Mijn ongetoetste voorstelling van de Belg als Vlaming is een zwaarlijvige man met een goedmoedige oogopslag en een pint in zijn dikke knuist, of een magere Waal met een snorretje. Beiden laten zich vergezellen door een elegant geklede vrouw. De Duitser is ook dik, drinkt ook bier, praat hard en heeft een vrouw, nog dikker en verpakt in Tiroler windsels. De Brit heeft óf een bolhoed op, een streepjespak aan en een bijzonder magere vrouw die een grote hoed draagt, óf hij verschijnt in lichtbruin tweed, en vertelt, staande voor de open haard, licht stotterend, een humoristische anekdote. Een vrouw is nergens te zien; boven de schoorsteen hangen koppen van olifanten en tijgers die zijn oudoom in India heeft geschoten.

We weten wel dat er niets van klopt, maar zo wonen de typische exemplaren van onze buurvolken nu eenmaal in ons hoofd. Zijn we in Antwerpen of Luik, Frankfurt of Londen, en we zien bij uitzonderlijk toeval zo iemand, dan zeggen we: `Kijk! Een typische...' En teruggekeerd in Nederland, zien we niets bijzonders. Dat wil zeggen: allemaal Nederlanders. Als ik de opdracht zou krijgen een typische Nederlander te fotograferen, zou ik naar het buitenland gaan, en net zo lang zoeken tot ik een lange kerel had gevonden met blond haar, een baksteenkleurig gezicht, de taal van het land sprekend alsof hij de vreemde woorden in het Nederlands voorlas. En vooral: zich stoer en joviaal gedragend. Joviaal ik ken behalve gezellig geen woord dat voor een zo Nederlands verschijnsel staat. De kruidenier van het dorp op zijn schouder kloppen, en zeggen: Papa fume une pipe, hahaha!

Ze bestaan nog, de `typische' vertegenwoordigers van de nationaliteiten, maar met elkaar zijn ze als een bedreigde diersoort. Goed beschouwd is het een wonder dat ze zich nog hebben gehandhaafd. De Britten hebben op hun eiland de beste kansen gehad. Alleen in de drie wereldoorlogen (de Koude meegerekend) hebben ze grote aantallen buitenlanders op hun grondgebied gehuisvest. Vooral de Amerikanen hebben er een nageslacht achtergelaten. De Duitsers hebben na de Tweede Wereldoorlog hun bezetting gekregen. Maar volkenkundig bekeken, vormen tachtig miljoen mensen een zware massa die niet zo vlug van karakter verandert. Als vertegenwoordiger van de bedreigde diersoort heeft de Belg de grootste taaiheid aan de dag gelegd. Slagveld in de Eerste Wereldoorlog, bezet gebied in de Tweede, daarna het tweetalige Brussel het hoofdkwartier van de NAVO en nu ook de hoofdstad van Europa.

Hoe staat het met de Nederlanders? In Zeeland en West-Brabant, heb ik op school geleerd, wonen mensen met zwart haar en fonkelende donkere ogen: verre achter-achterkleinkinderen van de Spanjaarden. Na 1648, de Vrede van Münster, was het lange tijd gedaan met de overweldigende buitenlandse aanwezigheid. Nederland werd de tolerantste natie van Europa. Er kwamen joden uit Oost-Europa en Portugal, verdreven door pogroms en ander ondraaglijk antisemitisme. Amsterdam heeft straten en parken en buurten die naar grote joodse Nederlanders genoemd zijn, maar het zijn onmiskenbaar Amsterdamse straten en parken.

Toen kwamen de Fransen. Lodewijk Napoleon liet in Haarlem een paleisje bouwen, maar zijn home is het nooit geworden – hij was liever in Parijs. En of de Fransen veel genetische sporen in het volk hebben achtergelaten? Of hun soldaten hebben te veel op de Nederlanders geleken, óf hun DNA is niet markant genoeg, óf de Nederlandse meisjes hebben de Fransen versmaad, óf het was omgekeerd. En toen, na de oorlog met België (op Belgisch grondgebied) ontfermde de vrede zich over de natie. Meer dan een eeuw was Nederland voor de Nederlanders, zonder dat dit uitdrukkelijk de bedoeling was.

Hoeveel kinderen de Duitse bezetters in Nederland hebben achtergelaten, is niet bekend. Landschap en stadsbeeld zijn door oorlog en bezetting uitsluitend negatief beïnvloed. Na 1940 is snel een eind gekomen aan de voordien niet geringe invloed op onze amusementscultuur. Een paradox: de grote invasie in het `typisch Nederlandse' is na de oorlog begonnen. In een vrijwel onafgebroken optocht zijn na 1945 de buitenlanders verschenen.

Eerst de Canadezen. `Trees heeft een Canadees. O! Wat is dat meisje in haar sas!' zong de bekende feestzanger Albert de Booy. Om de geestdrift van Trees te temperen, liet de Nederlandse overheid een affiche verspreiden: `Meisjes en vrouwen van Nederland, gedraagt U waardig!' Toen braken de laatste vier jaren van rust aan, samenvallend met de oorlog in Indonesië. En daarna kwamen de spijtoptanten uit de voormalige kolonie, de Molukkers, de gastarbeiders uit Spanje, de Joegoslaven, de Surinamers, de Antillianen, de Turken en de Marokkanen en de asielzoekers. Binnen afzienbare tijd zal de Amsterdamse bevolking voor de helft blank zijn en voor de andere helft niet.

Is er nog iets `typisch Nederlands'? Of heeft dat ongemerkt nieuwe vormen gekregen, zonder dat het daardoor minder typisch is geworden? Wij, de tijdgenoten die met de veranderingen zijn meegegroeid, hebben daar geen oog voor. Alleen de vreemdeling, de goede bekende die niet bij ons hoort, kan daarop antwoord geven.

Ik toets mijn waarnemingen aan wat de Belg, de Brit en de Duitser hebben gezien. Ik denk: ja, dit is het Nederland van nu. De wijde horizon is gebleven; de zee ligt windstil op een nevelige zomermorgen. Twee dammen zijn de bewijzen van onze eeuwige strijd tegen het water. Waar is deze foto gemaakt? Het zou in de buurt van Enkhuizen kunnen zijn, vóór de afsluiting van de Zuiderzee; maar het is Europoort. Uit alle perspectieven die de toegang tot de grootste haven ter wereld te bieden heeft, kiest een Brit het voorlopig onvergankelijke dat al typisch Nederlands was toen Willem van der Velden de Oude begon te schilderen.

De Nederlandse mens op de grens van twee eeuwen. Ze zitten aan zee op een dijk. Ze hebben het gezellig gemaakt. Een dikke vrouw heeft een kleedje op de dijk gelegd, praat in haar mobieltje en gaat straks weer limonade met een rietje drinken. Nog meer gezelligheid. De stacaravan, met een bloemperkje, cherubijntjes die geraniums dragen, de televisieantenne. Plassen op straat wijzen erop dat het flink heeft geregend. `Veel nattigheid', heet het tegenwoordig in het weerbericht.

De Brit ziet eerst de Nederlandse gezelligheid, en ook veel verwoede pogingen tot gezelligheid. En vooral veel regen. Er is een gedicht van de Iraakse Nederlander Khader Abdollah: `Regen'. Het begint als volgt. `Het regent.' Dan gaat het verder: `Het regent.' Het komt pas goed tot zijn recht als de dichter het zelf voordraagt, met zijn zware, melancholieke stem. De Brit en de Irakees zien beiden: regen, en de resten van de regen, de plassen, als het zonnetje weer is doorgebroken. Andere landen hebben de zon; wij het zonnetje (en als het echt feest is wordt het een oranjezonnetje).

De Duitsers die het dichtst bij ons wonen, zijn die van het Ruhrgebied. Ze zijn opgegroeid tussen de schoorstenen waaruit zwarte, citroengele of oranje rook kwam. In hun heuvelland de ijzeren staketsels, de torens boven de mijnschachten. In hun rivieren stroomde loodgrijs water. Hun steden en dorpen waren omringd door enorme fabrieksloodsen. Dan kwamen ze over de grens. Overal groen, boerderijtjes, brede rivieren, en na een uurtje rijden, stonden ze aan zee. Frische Luft! En aardige mensen die ook nog een beetje Duits spraken, en als ze gewoon Hollands spraken leek het waarachtig ook nog op een soort Duits. Wir waren wieder im schönsten Land der Erde. Es war herrlich, citeert Eva Leitolf een Duitse bezoeker.

De Nederlandse steden missen de grauwe massaliteit. De grondslag van wat in Nederland een grote stad is, dateert uit de Gouden Eeuw. De steedsheid die we er daarna aan hebben toegevoegd, is verhoudingsgewijs bescheiden. Als we iets van tien verdiepingen bouwden, noemden we het een wolkenkrabber. Laagbouw, geen woonkazernes, eengezinswoningen, en het liefst met een tuintje. In een andere omgeving voelen we ons `onwennig'. Zelfs onze hoerenbuurt heeft iets rustieks.

Het werk van Stephan Vanfleteren is hierna één lang betoog tegen `het typische'. Alles wat beide anderen als typisch hebben aangemerkt, wordt hier met succes ondermijnd. Vanfleteren heeft op zijn manier gelijk. De afgelopen halve eeuw is ook West-Europa een smeltkroes geworden, en Nederland heeft er in ruime mate in meegedeeld. En dit valt me op: de geportretteerden generen zich niet voor hun aanwezigheid. Ze zijn er. Vanfleteren legt het einde van het typische vast, in het Europese uiterlijk.

Wie zijn wij? Nederlandse mannen die zich met snuisterijen mooi maken; vrouwen die altijd mooi geweest zijn en gebleven? In rustieke steden of randstadgebieden die van jaar tot jaar verder worden gevinext? Internationalisten die zich op de vrije markt bewegen, zo vlot alsof ze er zijn geboren? Braafburgerlijke zoekers naar de eindeloze gezelligheid? Zijn we `typisch' gebleven? Ik kijk naar de foto's van drie buren. Ik denk: het decor en de requisieten zijn veranderd, het wezen is gebleven.

Wij hebben, denken we, een klassenloze maatschappij. Voor het uiterlijk gaat dat niet op