Trauma's verwoord

Het lijdt geen twijfel dat Edgar Cairo na Albert Helman de Surinaamse schrijver is geweest met de grootste energie en de grootste verbeeldingskracht. Donderdag 16 november werd hij gevonden in zijn Amsterdamse woning. Hij overleed aan een maagbloeding.

Edgar Cairo was een absolutist, iemand die de koloniale geschiedenis in alle uithoeken verkende en er zijn schreeuw over liet horen. Geen enkele andere schrijver uit Nederlands West-Indië heeft de koloniale trauma's zo indringend verwoord in zoveel genres als Edgar Cairo. Dit klinkt alsof hij een loodzwaar oeuvre bij elkaar schreef, maar er zijn weinig schrijvers bij wie het plezier van het schrijven zo van elke pagina spatte als Cairo.

Edgar Eduard Cairo werd op 7 mei 1948 geboren in Paramaribo. Zijn ouders waren afkomstig uit het district Para, echte negers vanuit het diepste van de plantagecultuur van Suriname. Edgar haald het hoogst bereikbare: de Algemene Middelbare School. Hij was een echte erfjongen maar de rumoerige volkserven vormden een slechte studie-omgeving. Toch slaagde hij, ging naar Amsterdam en studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap.

Hij debuteerde in 1969 met een novelle in het Sranan die nog altijd zijns gelijke in die taal niet heeft gevonden: het indringende verhaal over een vader-zoon-relatie Temekoe. Vooral nadat hij in 1977 In de Knipscheer als uitgeverij had gevonden, hield de stroom publicaties niet meer op. Hij publiceerde in ruim tien jaar tijd vijftien prozaboeken, negen dichtbundels en acht toneelstukken, nog afgezien van talloze essays in tijdschriften en minstens vijf romans die niet in druk verschenen.

Hij verbreedde zijn aandachtsveld: van de stadserven van Paramaribo, naar het leven in de Surinaamse districten, weer later naar het Caraïbisch gebied, nog later naar de situatie van Surinaamse migranten in Nederland en de multiculturele Hollandse samenleving, ten slotte naar Afrika en de geschiedenis van de kolonisering van de negers en de oorsprong van wat Cairo het `negerverdriet' noemde.

Zijn boeken werden alsmaar omvangrijker: zijn verzamelde gedichten Lelu! Lelu! Het lied der vervreemding telde 877 pagina's. Het succes leek geen grenzen te kennen, maar met zijn eigenzinnige taalgebruik, een creatief doorgevoerde vorm van Surinaams-Nederlands, bereikte hij niet een massapubliek. Eind jaren '80 begon hij te schilderen met hetzelfde fanatisme als hij schreef. Met zijn laatste boeken kon geen lezer hem nog volgen. De psychose was compleet. Hij meende dat zijn inspiratie rechtstreeks van God kwam en de taal van Shakespeare en Dante.

De laatste jaren was hij weer op de terugweg. Hij overleed in Amsterdam-Oost een wijk vol van de minderheden waarvoor hij jarenlang met bruisende energie op de bres stond. Maar in zijn woonkamer heeft hij het gevecht met zijn doodsboodschapsvogel alleen moeten leveren.