Palm in nood

Gebruik van plantaardige producten uit het tropisch regenwoud is niet altijd duurzaam. In tegenstelling tot de heersende mening blijkt het oogsten van het hart van de asaipalm in het Boliviaanse Amazonewoud ruïneus.

Het tropisch regenwoud levert behalve hout vele andere plantaardige producten. Bosvruchten, noten, bladeren, boombast, bloemen en wortels dienen als voedsel, bouwmateriaal of medicijn. Paranoten en palmbladeren kunnen daarbij zonder milieuschade worden verzameld, maar dat geldt niet voor het hart van de asaipalm. De palm gaat ten onder als het hart – de eetbare kern van bladeren aan de top van de boom – wordt geoogst. Dat ontdekte bioloog Pieter Zuidema, die kortgeleden in Utrecht promoveerde op de invloed van exploitatie op drie soorten bomen in het Boliviaanse Amazonewoud.

Zuidema maakte demografische computermodellen voor de asaipalm, jatatapalm en paranotenboom, op grond van gegevens over overlevingskans, groeisnelheid en reproductie. Met die modellen is de invloed van exploitatie te voorspellen. De gegevens verzamelde hij gedurende drie jaar, waarin hij regelmatig met meetlint en kwast het Amazonewoud in trok om hun groeisnelheid te meten en daarbij duizenden bomen te markeren. Hij vergeleek stamdiktes van jaar tot jaar, keek hoeveel blad een boom gemiddeld aanmaakt, bepaalde vanaf welke leeftijd bomen zaad vormen en hield bij hoeveel zaailingen tot wasdom kwamen.

In het Boliviaanse Amazonewoud wordt het hart van de asaipalm (Euterpe precatoria) door dorpelingen geoogst voor export naar Brazilië. ``Deze exploitatie stond te boek als duurzaam', vertelt Zuidema. ``Men begeeft zich over bospaadjes naar de palmen en hakt ze handmatig om, met een bijl. Er komen geen zware machines aan te pas, ook niet om de boom weg te slepen, want men snijdt het hart eruit en laat de stam liggen. Het is een ranke boom die bij de val geen verwoesting aanricht.'

Doordat er rondom asaipalmen tientallen zaailingen staan, veronderstelden biologen dat een jonge boom in korte tijd de plaats van zijn gekapte soortgenoot zou innemen. Ideaal voor duurzaam bosgebruik, zo leek het. Maar de hoeveelheid zaailingen zegt niets, want de meeste gaan dood voor ze volwassen worden. Het duurt minstens zeventig jaar voor een zaadje tot een zaaddragende palm is uitgegroeid. De boom is dan vijftien meter hoog. In een natuurlijk bos zijn de asaipalmen gemiddeld negentig jaar oud. Het vervelende is dat alleen die grotere, zaaddragende bomen een geschikt palmhart hebben.

In de door Zuidema onderzochte bossen kapte men negentig procent van de palmen, om na een paar jaar terug te komen voor de paar bomen die inmiddels zaaddragend waren geworden. Zonder zaaddragende bomen is de populatie gedoemd te verdwijnen. Zou men minder harten per keer oogsten en het bos een tijdje laten herstellen, dan zou de achteruitgang trager verlopen. Maar voor handhaving van de bestaande populatie mag er maar zo weinig geoogst worden dat het niet meer interessant is.

Wat wel duurzaam gebruikt kan worden zijn de bladeren van de jatatapalm (Geonoma deversa). Deze bladeren dienen in Boliviaanse bosdorpen als dakbedekking en gaan jaren mee. Na het afhakken van jatata-bladeren groeien er weer nieuwe aan. Zelfs als alle bladeren verwijderd worden, heeft het lover zich na twee jaar weer voor tweederde hersteld en na drie jaar helemaal. De jatata-palm wordt niet hoger dan een meter of vier, maar haalt wel een leeftijd van meer dan driehonderd jaar. ``De boom leeft zijn hele leven in de ondergroei, in de schaduw dus', legt Zuidema uit. ``Hij groeit langzaam en bouwt groeireserves op van suikers, zodat hij na beschadigingen snel aangroeit. Dat is nodig omdat je als ondergroei-plant heel wat takken van die woudreuzen over je heen krijgt.'

paranotenboom

Jatata-bladeren worden alleen geoogst voor plaatselijk gebruik en spelen geen rol op de wereldmarkt. Behalve hout zijn er maar weinig producten uit het regenwoud die een rol in de wereldhandel spelen. Daarom relativeert Zuidema het belang van die producten als argument voor bosbehoud. Maar er zijn uitzonderingen. De noten van de paranotenboom (Bertholetia excelsa) bijvoorbeeld, de derde boomsoort waarvan Zuidema de exploitatie onderzocht, worden wereldwijd geconsumeerd. Meer dan de helft ervan wordt verzameld in het Boliviaanse Amazonewoud.

In Zuidema's onderzoeksgebied bleken dorpelingen 93 procent van de noten te rapen. Hoewel de paranotenboom pas noten laat vallen als hij met zijn kruin boven het bos uitsteekt – wat hem pas na ten minste 125 jaar lukt – kan de populatie dat notenverlies best hebben. De boom wordt immers niet omgehakt en blijft nog tot zijn driehonderdste onverminderd noten produceren. Daaruit ontkiemen en overleven genoeg jonge bomen voor handhaving van de populatie.

De verspreiding van de noten wordt grotendeels verzorgd door goudhazen, een groot soort cavia's. Goudhazen peuteren de noten uit hun harde bast, maar eten er slechts een paar van op. De rest begraven ze ergens als voorraad voor slechtere tijden. De meeste jonge paranotenbomen zijn uit zulke voorraadjes ontkiemd. De notenverzamelaars jagen graag op de goudhazen, wat de verspreiding van de paranotenboom zou kunnen remmen. Maar ondanks tientallen jaren notenoogst en goudhazenjacht neemt het aantal paranotenbomen niet af. Zowel uit Zuidema's waarneming als uit zijn computermodellen blijkt dat er bomen van allerlei leeftijden groeien. De verjonging is dus continu.

Pieter Zuidema: Demography of exploited tree species in the Bolivian Amazon. ISBN 9039325243.