Omslag in ontslag

MET HET ONTSLAGRECHT wordt in dit land al vijfentwintig jaar ,,gesold en gehannest'', klagen deskundigen. En de praktijk heeft soms wel iets van roulette. Nu heeft een commissie onder voorzitterschap van de oud-advocaat en -hoogleraar Rood dan toch een ei van Columbus geproduceerd. Dit lijkt verrassend op het voorstel dat minister Bert de Vries (Sociale zaken) aan het eind van de jaren tachtig deed. Het werd vervolgens vakkundig ontmanteld door zijn opvolger Melkert.

Zou het dan toch niet zo eenvoudig zijn? Op het eerste gezicht lijkt het probleem glashelder. Nederland kent nog steeds de voorafgaande toetsing van ontslag door de directeur van het arbeidsbureau (tegenwoordig de regionale arbeidsvoorziening). Deze regeling stamt nog van de Duitse bezetters tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was noodrecht, maar deze bijzondere vorm van overheidsbemoeienis bestaat nog steeds. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Melkert wel iets heeft gedaan aan de flexibilisering van arbeidscontracten.

DESALNIETTEMIN BLEEF het bezwaar dat er een tweede ontslagtoetsing bestaat die voor een deel de eerste ook nog eens overlapt: bij de kantonrechter. Deze weg is de laatste jaren steeds meer ingeslagen. De commissie-Rood wil hem nu tot hoofdweg maken en de preventieve toetsing afschaffen. Dat is alleen nodig omdat Nederland binnen Europa vrijwel alleen staat met de dubbele, omslachtige en slecht controleerbare ontslagbescherming.

De overgang naar de kantonrechter is wel getypeerd met de slagzin ,,van vergunning naar vergoeding''. De rechter kan een stukgelopen arbeidsverhouding zelden herstellen, maar hij kan aan ontslag wel een financiële vergoeding verbinden. Dat is nu trouwens al de praktijk. Het past bij de flexibilisering en verzakelijking van de arbeidsverhoudingen waarvan een moderne economie het moet hebben. De tijd dat men sprak van ,,een zeker eigendomsrecht van de werknemer op zijn dienstbetrekking'' ligt achter ons. Toch is het gevaar van het dumpen van werknemers – bijvoorbeeld bij het aanpassen van werkomstandigheden of het zoeken van een alternatieve aanstelling – nooit geheel afwezig. En dan geldt de oude waarheid dat de strijd tegen een onredelijk ontslag beter is te voeren vanuit een baan. Als de werknemer deze al kwijt is, wordt het een ,,uphill fight''.

DE COMMISSIE-ROOD legt de bewijslast in de kantongerechtsprocedure-nieuwe-stijl uitdrukkelijk bij de werkgever. De rechterlijke toetsing kan ook worden versterkt door de invoering van hoger beroep. Toch vormt versmalling van de ontslagbescherming tot alleen toetsing achteraf een ingrijpende wijziging, die haar weerslag op de inhoud van de ontslagbescherming niet zal missen. In de huidige gespannen arbeidsmarkt lijkt dit wellicht een theoretisch bezwaar. Het nieuwe ontslagrecht moet echter ook berekend zijn op zwaarder weer. Dan is het de vraag of de waarborgen, die de formule-Rood ontegenzeglijk biedt, werkelijk steek houden. Het mogen slechts kleine percentages zijn waarin herstel van de dienstbetrekking aan de orde is, ze tellen zwaar voor de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen.

Overwegingen van tijdwinst en transparantie zijn een overtuigende reden het vastgelopen ontslagrecht vlot te trekken. Het rapport bevat echter ook de ontnuchterende waarschuwing, gebaseerd op recent empirisch onderzoek, ,,dat de inrichting van het ontslagrecht weinig of geen invloed uitoefent op de omvang van de werkgelegenheid en de dynamiek van de arbeidsmarkt''.