Maar wil men registratie?

Na het debat over het multiculturele drama, is het tijd voor daden. Hoe maakt Nederland werk van de integratie van minderheden? Om de drie weken maken Ahmed Aboutaleb, directeur van het instituut voor Multiculturele ontwikkeling Forum en Roger van Boxtel, minister voor Grote Steden en Integratiebeleid door middel van brieven aan elkaar de balans op.

Geachte heer Aboutaleb,

De ophef die onlangs gemaakt werd over het exorbitant hoge aantal personen uit etnische minderheden in de WAO, bleek al snel een storm in een glas water. Prof. Veenman heeft het nageplozen, en wat bleek: de cijfers waarmee gegoocheld werd (`vier keer zo hoog') dateerden uit een onderzoek dat in 1994 was gepubliceerd. Die cijfers betroffen bovendien Turken en Marokkanen tussen de 40 en de 65 jaar, en de (reeds gepubliceerde!) cijfers van een soortgelijk onderzoek in 1998 geven een opmerkelijke daling aan. Met als klap op de vuurpijl: de percentages betreffen mensen die van zichzelf zeggen dat ze arbeidsongeschikt zijn; of ze WAO'er zijn, is wat anders.

U knoopt hier de kwestie van de registratie aan vast. Voor dit onderwerp zie ik het punt nog niet. Sinds 1992 is er met instemming van de Tweede Kamer (en van de registratiekamer) een registratiemethode voor onderzoek en statistiek gericht op etnische minderheden vastgesteld die ook wel de BiZa-VNG-methode genoemd wordt, maar voor mijn part een-van-de-drie mag heten: bepaal het geboorteland van de persoon, en van diens ouders en als een van de drie geboortelanden tot de herkomstlanden van etnische minderheidsgroepen behoort, kan men de persoon toerekenen tot de categorie `etnische minderheden', (met als uitzondering de persoon van wie beide ouders in Nederland geboren zijn). De bevolkingsadministratie is geschikt om deze methode toe te passen. Zij wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, wetenschapsinstituten en overheidsdiensten gebruikt en zolang de derde generatie niet in het vizier komt, is zij nog steeds bruikbaar.

De vraag is niet zozeer of er een methode is, maar of men bereid is te registreren. Ik ben het met u eens dat het goed is gegevens over werkgelegenheid en arbeidsongeschiktheid bij te houden, al is het alleen maar om non-discussies te vermijden.

U snijdt ook het onderzoek aan dat uw eigen instituut over arbeidsbemiddeling liet uitvoeren. Daaruit concludeerde u dat de pas gestarte CWI's er niet aan toe komen, de moeilijkst bemiddelbare groepen – en daaronder schuilen extra veel mensen die tot de etnische minderheden behoren – op een werkplek te brengen. Is het niet een beetje vroeg om nu al de alarmbel te luiden? Die centra zijn er nog maar pas en verkeren in een stadium om de verschillende bedrijfsculturen die hierin zijn bijeen gebracht, op elkaar af te stemmen. Het is in ons land ook een hinderlijk stukje `democratisch ongeduld' om van nieuwe initiatieven meteen het volle pond aan resultaten te vergen. Ik wil wel het geduld opbrengen om te zien hoe de CWI's zichzelf gaan bewijzen. En inderdaad, dat bewijs moet geleverd worden met die onderste kaartenbakken met de `moeilijke gevallen'. Maar ik kijk wel toe met argusogen en ga ze, met collega Vermeend van Sociale Zaken, achter de broek zitten, reken maar.

Afgelopen week bezocht ik de Metropolisconferentie die dit jaar in Vancouver, Canada, werd gehouden. Naast de conferentie heb ik een avond werkbezoeken afgelegd. Indrukwekkend was het bijwonen van een `citizenshipceremony'. Iedere immigrant kan na drie jaar – na het succesvol afleggen van een test – opteren voor het Canadese staatsburgerschap. Zo'n 80% doet dit. Op de openbare ceremonie leggen de immigranten een eed of gelofte af aan de Canadese grondwet en verkrijgen ze het recht op een Canadees paspoort en het recht op actief en passief kiesrecht. Aan het slot van de bijeenkomst zong men het Canadese volkslied, waarna eenieder met de 'citizenshipjudge' op de foto ging. Zouden we hier ook niet zoiets moeten invoeren?

Met vriendelijke groet,

Roger van Boxtel