Kosten verzekeringen verschillen sterk

Verzekeringsproducten zijn bijzonder moeilijk te vergelijken. Voor de klant nog meer dan voor de onderzoeker.

In deze laatste maanden van het jaar 2000 zullen honderdduizenden Nederlanders zich weer buigen over de vraag of zij gebruik zullen maken van de fiscale mogelijkheden om te beleggen in de vorm van een verzekeringsproduct. De kwestie oogt dit jaar nog veel urgenter dan anders omdat ons `oude' belastingregime wordt afgeschaft. De mogelijkheid om lijfrentepremies en bedragen in koopsompolissen als aftrekpost op te voeren voor de inkomstenbelasting is in het nieuwe stelsel drastisch gereduceerd. `LAATSTE KANS' stond er op één van de brochures over koopsompolissen die de laatste weken werden verspreid.

Maar moeten we wel zoveel haast maken om ons geld in een lijfrente, een pensioenverzekering of een kapitaalverzekering te stoppen? Soms is er sprake van een fiscaal voordeel. Een koopsompolis bijvoorbeeld mag dit jaar nog tot zo'n tweeënzestighonderd gulden worden afgetrokken voor de inkomstenbelasting. En het rendement op kapitaalverzekeringen blijft ook onder bepaalde voorwaarden in het nieuwe regime vrij van vermogensrendementheffing. Maar dan nog blijft de belegger zitten met de vraag of een beleggingsverzekering wel aantrekkelijk is. Want de kosten en provisies die de verzekeraar, de verzekeringstussenpersoon en de vermogensbeheerder in rekening brengen in het geval de premies in een beleggingsfonds worden gestopt kunnen soms zo oplopen dat ze het fiscaal voordeel teniet doen. Bovendien blijkt het een absolute crime om er achter te komen hoe hoog die kosten voor een specifiek product precies zijn, en dat maakt het weer extreem moeilijk om de producten onderling te vergelijken.

Dat is ook een van de conclusies uit het rapport Marktverkenning Beleggingsverzekeringen 2000 dat afgelopen week werd gepresenteerd. In een gezamenlijke inspanning hebben De Wildbaan Groep (die verzekeringstussenpersonen adviseert), Tillinghast Towers Perrin (actuarieel adviesbureau) en Nyfer (economisch researchinstituut) geprobeerd om het aanbod in de Nederlandse markt te inventariseren en transparant te maken. Experts van de drie instellingen hebben negen maanden nodig gehad om de gegevens van 90 verzekeringsproducten goed in beeld te krijgen.

Een van de meest schokkende tabellen in het rapport is die waarin een overzicht wordt gegeven van de percentages die de beleggers kwijt zijn aan de productaanbieders. Afhankelijk van het soort beleggingsverzekering en de aanbieder variëren die percentages op jaarbasis tussen de 0,08 procent en de 4,52 procent. Als ook de beheerskosten worden meegenomen van het fonds waarin de premies worden belegd, lopen de percentages op naar 0,99 tot 5,48 procent.

Stel dus gemakshalve de gemiddelde beleggingsverzekering jaarlijks 3 procent van het belegde bedrag in rekening brengt, terwijl het bruto rendement van de belegging zelf 10 procent bedraagt, blijft er voor de polishouder netto slechts zeven procent rendement over. Een inleg van honderdduizend gulden levert in twintig jaar daarmee een netto rendement op van 387 duizend gulden. Maar diezelfde ton dikt zonder de kosten van een beleggingsverzekering aan tot 673 duizend gulden. Tel uit je verlies!

De onderzoekers stellen vast dat er in de afgelopen vijf jaar vooruitgang is geboekt op het punt van de transparantie in de markt. Alleen al het feit dat de Nederlands grootste verzekeraars überhaupt aan het onderzoek meewerken, noemen zij een stap vooruit. Toch wijzen de onderzoekers ook op een reeks van wonderlijke praktijken. Zo blijkt dat veel van de fondsen die verzekeraars gebruiken voor beleggingsverzekeringen niet genoteerd zijn. Dat op zich is niet erg, maar wel dat de beleggingsrendementen van zulke `interne' fondsen bijzonder moeilijk te achterhalen zijn. Toezichthouder De Nederlandsche Bank controleert ze niet.

Ook kwam men gevallen tegen waarin zulke interne beleggingsfondsen weer in beursgenoteerde fondsen beleggen, maar het rendement daarvan slechts onder aftrek bepaalde administratiekosten doorgaven. En zelfs blijken er beleggingsfondsen die in aandelen beleggen en daarvan wel het koersrendement – onder aftrek van kosten – aan de klant doorgeven, maar niet het dividend. Zonder dat de klant het in de gaten heeft, wordt hem dus (gemiddeld) zo'n twee procent rendement per jaar ontfutseld.

Is er dus wel zo'n haast geboden bij kopen van beleggingsverzekeringen? Niet als het doel uitsluitend beleggen is. De fiscale voordelen verdwijnen goeddeels en het nadeel van de hoge kosten en de ondoorzichtigheid de producten blijft staan. Zelfs met dit uitgebreide, maar voor leken moeilijk toegankelijke rapport. Het enig argument voor beleggen in een beleggingsverzekering versus zelf rechtstreeks in fondsen beleggen zou dan de discipline kunnen zijn. Een bedrag dat eenmaal in een koopsompolis is gestopt, haal je niet zomaar terug.

Een ander motief om voor een levensverzekeringsproduct te kiezen, kan zijn dat er een overlijdensrisico moet worden afgedekt. Daarvan is onder meer sprake bij kapitaalverzekeringen als onderpand voor een hypotheek. De bank wil immers dat als de klant overlijdt de hypotheek ineens wordt afgelost.

In zulke gevallen is er overigens ook sprake van een fiscaal vriendelijke behandeling, want sowieso geldt dat vermogen dat in het eigen huis zit, niet met 1,2 procent rendementsheffing wordt belast. Maar van de premie van zulke levenproducten wordt vaak maar een heel klein deel apart gehouden om overlijdensrisico af te dekken. De vraag is of het dan niet wijzer is om het beleggingsdeel en het overlijdenrisicodeel op te splitsen en een zo klein mogelijk deel van de vooraflossing beschikbare bedragen in een verzekering te stoppen.

Het antwoord op die vraag ligt bij de verzekeringstussenpersoon. Een goeie check om erachter te komen hoe serieus hij zijn taak opvat, is om even te vragen of zijn adviezen ondersteund worden door de bevindingen in het rapport `Marktverkenning beleggingsverzekeringen 2000'.