JAARRINGEN VERRADEN DEBIETVARIATIES VAN DE SIBERISCHE RIVIER OB

Britse en Russische onderzoekers hebben ontdekt dat in de jaarringen van bomen langs de Ob ook informatie verscholen zit over variaties in de capaciteit van deze rivier, zo melden zij in de Geophysical Research Letters van 1 november. De Ob is een 5.500 kilometer lange rivier die vanaf het Altajgebergte noordwaarts door de taiga van West-Siberië stroomt. Hij behoort met de Jenessei en de Lena tot de langste rivieren van dit continent en transporteert jaarlijks 530 kubieke kilometer zoet water en tien miljard megajoule warmte in de richting van de Noordelijke IJszee. Variaties hierin kunnen een belangrijke invloed hebben op het energiebudget van dit gebied.

Uit eerder onderzoek aan bomen langs de Ob was al gebleken dat er soms een verband bestaat tussen de breedte van jaarringen en de capaciteit (ofwel het debiet) van de rivier. Britse en Russische onderzoekers zijn vervolgens naar een mogelijke relatie met de koolstofisotopen in jaarringen gaan zoeken. Zij gebruikten de stammen van vijf grove dennen (Pinus sylvestris) die aan de benedenloop van de Ob tot op 60 meter van de rivier groeiden en bepaalden in elk van de na 1934 gevormde jaarringen de verhouding tussen de stabiele isotopen C en C. In 1934 was men hier de waterhoogten van de Ob gaan meten, waaruit via enkele omrekeningsfactoren de jaarlijkse hoeveelheid verplaatst water kan worden afgeleid.

Bij vier van de vijf bomen bleek de relatieve concentratie C `een zeer significante, tegengestelde correlatie' met de jaarlijkse capaciteit van de rivier te vertonen. Bij een hoge capaciteit was de concentratie C laag en omgekeerd. De oorzaak van dit verband is volgens de onderzoekers terug te voeren op het variëren van de opening van de huidmondjes in de bladeren onder invloed van het variërende vochtgehalte van de omgeving. Deze huidmondjes zijn van invloed op de factoren die de isotopenscheiding tijdens de opname van CO2 uit de lucht regelen. Het nu gevonden verband maakt het misschien mogelijk waterverplaatsingen in de Ob tot eeuwen of millennia terug te berekenen.

De onderzoekers hebben ook gevonden dat de correlatie bij het toenemen van de afstand tot de rivier sterker wordt, mogelijk doordat het vochtgehalte van lucht en bodem op grotere afstand van de rivier sterker varieert. Dit verklaart ook waarom bij de boom die het dichtst bij de rivier stond géén verband met de hoeveelheid passerend water werd gevonden: het vochtgehalte is daar constant hoog.