Inspraak?

De tennissers van de Davis-Cupploeg eisen het vertrek van hun captain Michiel Schapers. De hockeyers en de volleyballers mogen meestemmen over hun nieuwe coach. Moeten sporters zelf mogen beslissen wie hun coach wordt?

Toon Gerbrands, oud-bondscoach Nederlandse volleybalploeg: ,,Een sportbond moet eerst met een plan en een visie komen voor een paar jaar. Als de spelers het plan goedkeuren, mogen ze meepraten over een nieuwe trainer, anders niet. Afhankelijk van het plan kan gezocht worden naar een coach. Heb je een opbouwtrainer nodig of juist een oefenmeester die voortborduurt op een succesvol ingeslagen weg? Bij de volleybalbond mogen de spelers klaarblijkelijk meepraten over een nieuwe trainer, maar de bond heeft daarvoor geen plan opgesteld. Toen ik begon als trainer van de mannenploeg was dat plan er wel. Als ik mijn idee projecteer op de tennisbond, zou van het volgende voorbeeld sprake kunnen zijn: de bond vraagt aan Richard Krajicek of hij meegaat met de plannen voor een bepaalde termijn. Zo ja, dan mag hij meepraten over de komst van een trainer. Zo niet, dan heeft hij geen recht van spreken.''

Jan Reker, directeur van de stichting Coaches Betaald Voetbal: ,,Waarom niet? Spelers moeten hun mening kunnen geven over het beleid van hun club of bond, al moeten ze zich wel realiseren dat zij niet direct verantwoordelijk zijn voor prestaties op de lange termijn. Hopelijk kennen de Nederlandse tennissers hun verantwoordelijkheid. Als zij bepalen wie hun nieuwe trainer wordt, moeten ze hem onvoorwaardelijk steunen. Ik kan me voorstellen dat een bestuur van een club of bond tegen een spelersgroep zegt: `Hier is de nieuwe trainer, daarmee moet je het doen.' Inspraak van spelers is prima, maar het bestuur bepaalt het beleid voor de lange termijn.''

Frank Hekman, organisatiedeskundige: ,,In deze tijd is het noodzakelijk dat de stem van sporters gehoord wordt. Atleten zijn tegenwoordig goed ontwikkeld, vaker bereid tot meedenken over beleidszaken en vooral: mondiger. Omdat sporters uit verschillende disciplines vaker met elkaar omgaan, wisselen ze hun ideeën over het te voeren beleid van hun club of bond frequenter uit. Verder is de laatste jaren een nieuw soort leiderschap ontstaan: trainers worden participatiever. De belangen in de topsport zijn groter geworden, de keuze voor een bepaalde trainer is erg belangrijk. Omdat een sporter dankzij een goede coach veel geld kan verdienen, moet die atleet een stem hebben in de trainerskeuze.''

Bert Bouwer, trainer van de Nederlandse vrouwenhandbalploeg: ,,Spelers moeten een profielschets maken van een nieuwe trainer. Heeft hij veel internationale ervaring, wat is zijn staat van dienst? Vooral de mening van leiders in een groep speelt een belangrijke rol. Zo zou de tennisbond Krajicek moeten consulteren. Een sportbond moet uiteindelijk het laatste woord hebben. Als een trainer bij de gratie van de spelersgroep wordt gekozen, verliest hij autoriteit. Ik werd zelf op voorspraak van de spelersgroep trainer van Sittardia, maar het bestuur stuurde me na drie jaar wél de laan uit.''

Rico Schuijers, sportpsycholoog: ,,Een bond die als democratisch bekend staat, vraagt sneller de spelers om raad dan een autoritaire bond. Sporters worden steeds mondiger, ze zijn de manager van hun eigen onderneming. Daarom vinden ze het belangrijk wie hun nieuwe trainer wordt. Hoe vaak zie je een slecht presterende sporter niet opbloeien onder een nieuwe coach?''

Joop Alberda, technisch adviseur NOC*NSF en voormalig trainer van de Nederlandse mannenvolleybalploeg: ,,Een sportbond stelt eisen waaraan een trainer moet voldoen. Dan is het begrijpelijk dat aan de spelers wordt gevraagd of ze die eisen eventueel nog willen aanvullen en of ze suggesties hebben wie de nieuwe man moet worden. Een bond moet een filosofie ontwikkelen, van daaruit zou dan naar een trainer gezocht moeten worden. Maar wat doen sommige bonden: die zoeken coaches die beschikbaar zijn, maar misschien helemaal niet passen in de organisatiefilosofie. Programma moet boven team, team boven speler.''