Grote fraude bij bodemsanering

De Rotterdamse recherche heeft bij een semi-ambtelijk orgaan dat de bodemsanering begeleidt omvangrijke valsheid in geschrifte vastgesteld. Daardoor zijn afvalondernemers en stortplaatsen in staat geweest voor miljoenen guldens aan milieuheffingen te ontlopen.

Het openbaar ministerie (OM) in Rotterdam bevestigt de bevindingen van de Rotterdamse politie over geknoei in de tweede helft van de jaren negentig. Het OM neemt volgens persofficier De Kimpe eind december een besluit over de aanbeveling van de politie om vervolging in te stellen tegen het orgaan, dat de bodemsanering voor de rijksoverheid begeleidt.

Het verdachte orgaan, het Service Centrum Grond (SCG), wordt bestuurd door hoge ambtenaren, wethouders, waterschapsbestuurders en gedeputeerden. Het is in 1989 met startsubsidie van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (VROM) opgericht en sinds vorig jaar een zelfstandig bestuursorgaan. De politie wil het SCG als rechtspersoon vervolgen, alsmede vijf (ex-)personeelsleden van het SCG. Enkele van hen hebben tegenover NRC Handelsblad beaamd dat fouten zijn gemaakt maar zeggen dat ze te goeder trouw handelden. In het drie jaar durende onderzoek (code: Moeras) zijn ruim vijftig ambtenaren en werknemers in de afvalbranche als verdachte gehoord.

Volgens de recherche hebben SCG-medewerkers in de tweede helft van de jaren negentig tussen de 20 en 25 valse verklaringen afgegeven. Deze verklaringen suggereerden dat afvalondernemers verontreinigde grond naar een stortplaats konden brengen. In werkelijkheid ging het niet om grond maar om ander, vaak zwaar verontreinigd afval waarvoor heffing betaald moest worden in het kader van de Wet Belasting op Milieugrondslag (Wbm). Deze heffing is zo hoog (30 gulden per ton) dat het ontlopen ervan per partij afval een miljoen gulden voordeel kan opleveren.

Ten tijde van de gepleegde strafbare feiten waren onder meer twee hoge ambtenaren van VROM SCG-bestuurder, alsmede het huidige Tweede-Kamerlid Van der Steenhoven (GroenLinks), de Deventer wethouder Scholten (VVD) en de Brabantse gedeputeerde Verheijen (PvdA). De meeste van hen zeggen zich bestuurlijk medeverantwoordelijk te voelen, maar menen dat minister Pronk (VROM) politiek eindverantwoordelijk is voor het SCG. Volgens enkele SCG-bestuursleden zijn hoge VROM-ambtenaren, die commentaar weigeren, al jaren geleden geïnformeerd over de feiten die uit het politieonderzoek zijn gebleken. De Tweede Kamer is sinds 1998 niet ingelicht over problemen bij het SCG. Het ministerie weigert commentaar.

VUILE HANDEN: pagina 22