Gemakzucht bij nomaden in Amsterdams grachtenpand

Als succesvol kunstenaar heb je tegenwoordig geen atelier of vaste woonplaats meer nodig. Je trekt van tentoonstelling naar tentoonstelling of van biënnale naar biënnale, en maakt je werk – meestal gaat het om tijdelijke installaties – ter plaatse. Je leeft in hotels en maakt je afspraken bij voorkeur op luchthavens. Daar is tussen het inchecken en instappen in altijd wel even tijd om je documentatiemap aan een geïnteresseerde verzamelaar of curator te laten zien. Er bestaat zelfs al een naam voor dit reisluchtige type kunstenaar: de airport-artist.

De tentoonstelling Home is where the heArt is in Museum van Loon speelt in op het fenomeen van de nomadische kunstenaar. De titel geeft aan dat kunstenaars zich tegenwoordig overal thuisvoelen, daar waar de kunst is. Of specifieker, daar waar de kunstruimtes zijn door wie ze worden uitgenodigd. De meeste van de elf kunstenaars die aan de tentoonstelling deelnemen, hebben hun geboortegrond inmiddels ingeruild voor een ander land. Zo wonen Job Koelewijn (Nederland) en Maurizio Cattelan (Italië) in New York, en verhuisden Steve McQueen (Groot-Brittannië) en Otto Berchem (VS) naar Amsterdam.

Met hun tijdelijke verblijfplaats in Amsterdam hebben deze kunstenaars het getroffen. Museum van Loon is een prachtig gerestaureerd 17de-eeuws grachtenpand met rijk gedecoreerde stijlkamers. Het huis, vroeger bewoond door de schilder Ferdinand Bol, kwam in de 19de eeuw in bezit van de familie Van Loon en werd vanaf 1973 opengesteld voor het publiek. Philippa van Loon, de jongste telg uit het geslacht, organiseert er sinds 1996 iedere twee jaar tentoonstellingen met hedendaagse kunstenaars. Voor Home is where the heArt is werd zij geassisteerd door Diana Stigter, voormalig galeriehoudster van de Bloom Gallery.

Sommige kunstenaars verdiepten zich in de rijke historie van het huis en zijn bewoners. Ram Katzir ontdekte de `Morenkoppen' in het familiewapen van de Van Loons (Willem van Loon was mede-oprichter van de Vereenigde Oostindische Compagnie). Hij verving de familieportretten in het trappenhuis door schilderijen van twee zwarte kindertjes en plaatste zo een kritische noot bij de geschiedenis van de slavenhandel.

Otto Berchem was vooral geïnteresseerd in de waarde van de antieke meubelen, de schilderijen en het zilverwerk uit de collectie van het museum. Overal in het huis kom je zijn gele prijskaartjes tegen, met aan de ene kant het woord `priceless' en aan de andere kant de geschatte waarde van het object. Op een onderhoudende video is te zien hoe Berchem tot deze bedragen is gekomen: een Amsterdamse antiquair taxeert hier, op een manier die aan het programma Tussen kunst en kitsch doet denken, de belangrijkste stukken. De gesprekken met de taxateur worden afgewisseld met de herinneringen van Philippa van Loon, die bij ieder voorwerp een persoonlijke anekdote weet te vertellen.

Joep van Lieshout trok zich daarentegen niets aan van de deftige omgeving. Hij transformeerde de grote slaapkamer tot seksruimte. Op de grond liggen enkele figuren van piepschuim, bij wie de geslachtsdelen en monden zijn uitgesneden. Die worden elders in de ruimte weer tot leven gebracht door middel van ingewikkelde machines. Vanaf de wanden slaan de nors kijkende voorvaderen het geheel minzaam gade.

Een enkeling daargelaten, hebben de meeste kunstenaars zich er op deze tentoonstelling buitengewoon gemakkelijk vanaf gemaakt. Steve McQueen, vorig jaar nog winnaar van de Turner Prize, hing een goudkleurige vlag aan de gevel, Martin Creed vulde een kamer voor de helft met blauwe ballonnen en Jeroen Eisinga vertoont in een verborgen badkamer een korte film waarin niets gebeurt. Het toppunt van gemakzucht is de bijdrage van Maurizio Cattelan. Hij plaatste een onopvallende zwartwitfoto, een zelfportret, tussen de oude familiefotos op het dressoir.

Zo is Home is where the heArt is, ondanks de veelbelovende lijst namen en de inspirerende omgeving, toch een teleurstellende tentoonstelling geworden. Misschien komt het door de drukke programma's van deze veelgevraagde kunstenaars, dat ze nauwelijks nog de tijd nemen zich te verdiepen in een onderwerp. Het gevaar bestaat dat hun oeuvres straks voornamelijk bestaan uit een opeenvolging van kunstjes, uitgevoerd in wereldsteden als Londen, Berlijn, New York en Tokyo. Graag zou je ze op het hart willen drukken om eens wat minder tijd in vliegtuigen en meer tijd in een atelier door te brengen.

Tentoonstelling: Home is where the heArt is. T/m 7 jan in Museum van Loon, Keizersgracht 672, Amsterdam. Do t/m ma 11-17u. Entree: ƒ10,-.