Energie voor iedereen

Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 2: delfstoffen, energie, chemie. Stichting Historie der Techniek / Walburg Pers. Prijs: ƒ78,50. ISBN 90.5730.064.8.

Steek de stekker in het stopcontact en je hebt energie. Draai het contactsleuteltje van de auto om en je hebt energie. Draai aan de knop van het gasstel en je hebt energie. Energie is in Nederland in de laatste decennia van de twintigste eeuw overal, altijd en voor iedereen beschikbaar. Een groot contrast met honderd jaar eerder: energie was vrijwel altijd gebonden aan de plaats waar die werd opgewekt, met een stoommachine, met wind of stromend water. De twintigste eeuw is de eeuw waarin energie een netwerkdienst werd.

Energie vormt dan ook een belangrijke sleutel, misschien wel de belangrijkste sleutel, tot het begrijpen van technische ontwikkelingen in de afgelopen eeuw. Het tweede deel van de serie Techniek in Nederland in de twintigste eeuw is voor een belangrijk deel gewijd aan energie en de daarmee nauw samenhangende delfstoffen en chemie. Het bijna vijfhonderd pagina's dikke boekwerk op A4-formaat geeft inkijkjes in vrijwel vergeten stukjes Nederlandse geschiedenis.

Zo gold het land eeuwenlang als arm aan delfstoffen. Naarmate steenkool aan rond de eeuwwisseling een allengs grotere rol in de samenleving ging spelen niet alleen in Nederland, maar in de hele `beschaafde' wereld werd die delfstoffenarmoede ook politiek als een probleem gezien, getuige bijvoorbeeld de woorden van minister van Economische Zaken Lely in de Tweede Kamer: ``Ook het bestaan van onzen bodem is grotendeels van het bezit van steenkolen afhankelijk.' Zonder stoomgemalen zouden de grote polders niet droog blijven.

Kolenwinning associëren veel mensen met stoomlocomotieven en de negentiende eeuw. Feit is dat de Limburgse mijnen pas in de twintigste eeuw op enige schaal tot ontwikkeling werden gebracht. In 1901 besloot de Tweede Kamer dat de overheid zich met de kolenwinning bezig moest gaan houden.

In de loop van die twintigste eeuw is de delfstoffenpositie van Nederland volkomen veranderd. De olie- en vooral de gasproductie is immens. De huidige hoge olieprijzen legt de Nederlandse overheid dan ook bepaald geen windeieren. Maar delfstoffen zijn niet uitsluitend energiedragers: de hoeveelheid zout in de Nederlandse bodem gaat veler voorstelling te boven. Volgens schattingen uit de jaren vijftig zou het land op basis van de toen bekende reserves de hele wereld driehonderd jaar lang van zout kunnen voorzien.

Die ontwikkeling van delfstoffenarm naar delfstoffenrijk heeft nauwelijks voorstelbare consequenties gehad voor de Nederlandse economie. Waar in de hele wereld de energie-intensiteit van de industrie sinds de jaren twintig gestaag is gedaald, met name door vergroting van de efficiëntie, vertoont Nederland een voor de westerse wereld volstrekt uniek patroon: tussen 1960 en 1973 verdubbelde de energie-intensiteit van de industriële productie. Dat kwam door de enorme groei van energie-intensieve sectoren als de chemie en de metaal. De (late) opkomst van deze sectoren is goeddeels te verklaren uit de snel veranderde delfstoffenpositie van Nederland.

Kolen, olie en gas leverde niet alleen de energie voor de nieuwe industrieën, maar ook een aanzienlijk deel van de grondstoffen. Zo werd in de jaren zeventig ruim veertien procent van de aardgasproductie verwerkt tot ammoniak. Eind van de jaren zeventig werd meer dan twintig procent van de binnenlandse energieconsumptie als grondstof in de industrie gebruikt. Ook hierin neemt Nederland een bijzondere positie in: in Duitsland was dat bijvoorbeeld negen, in België zes procent.

De enorme petrochemische complexen van Botlek/Europoort en Sittard/Geleen illustreren de prominente positie van de energie- en delfstofintensieve chemie, maar ontstaan en ontwikkeling van die complexen is alleen te begrijpen door je te verdiepen in de technische details. Zo betrok BPM/Shell Pernis Chemische Fabrieken, eind jaren veertig in Pernis gevestigd vanwege de havenfaciliteiten, chloor en monovinylchloride van Akzo Botlek en zuurstof van Cryoton, eveneens in het Botlekgebied. BPM/Shell leverde op zijn beurt bijvoorbeeld zwavelwaterstof aan de Fabriek van Chemische Producten `Vondelingenplaat' en Superfosfaatfabriek `Holland'/Albatros, beide in Pernis, zuurteer aan zwavelzuurfabrikant Albacid, zoutzuur en etheen aan Akzo Botlek, en propeen aan de Rotterdamse Polyolefinen Maatschappij en Oxirane Chemie. De laatste drie bedrijven vestigden zich niet meer in de eerste plaats vanwege de haven in het Botlekgebied, maar vanwege de aanwezigheid van leveranciers en afnemers van relevante chemicaliën.

Het zijn onder meer zulke verbanden die de term `techniekgeschiedenis' voor dit boekwerk rechtvaardigen. De lezer bekruipt soms wel het idee dat het eerder een industriegeschiedenis is, of zelfs een algemene economische geschiedenis, maar dan duiken telkens weer die technische details op zonder welke de ontwikkelingen eigenlijk niet goed te begrijpen zijn. In die zin levert deze invalshoek een mooie aanvulling op de gangbare geschiedschrijving, waarin `technische ontwikkelingen' veelal als een niet nader benoemde, exogene factor worden gezien.

In de passages met een macrokarakter speelt de techniek doorgaans hoogstens de rol van invalshoek, in passages met een microkarakter staat de techniek veel explicieter op de voorgrond. In detail wordt beschreven hoe bijvoorbeeld aan het begin van de twintigste eeuw de schaalvergroting van de mijnbouw leidde tot oplopende transportkosten. Als oplossing werd gekozen voor de zogeheten schudgoot, een naar beneden aflopende keten van halfronde bakken waarover de gedolven kolen door schudden werden getransporteerd. Aanvankelijk zorgde de spierkracht van een mijnwerker voor het schudden, later vanaf 1910 gebeurde dat met motoren.

Door de inzet van de schudgoot kon over een veel breder front worden gedolven, tot wel zeventig à tachtig mijnwerkers op een rij. Doordat de mannen veel minder tijd nodig hadden voor het telkens verscheppen van de kolen, konden ze veel meer tijd besteden aan de eigenlijke winning ervan. Alleen al hierdoor nam de productiviteit sterk toe. Daarbij kwam dat door de verbreding van het front waarover werd gedolven de druk van het gesteente op de kolenlaag toenam, waardoor de kolen er als het ware uitgeperst werd. De winning werd daardoor vergemakkelijkt: een niet ingecalculeerd technisch voordeel.

Toch waren de voordelen van de schudgoot niet direct vanzelfsprekend. De brede fronten vereisten veel meer stutten, waarvoor grote hoeveelheden kostbaar hout nodig waren. Ook waren ondergronds energiebronnen nodig. Pneumatische systemen deden daartoe hun intrede en leidden op hun beurt tot de inzet van pneumatische boren en hamers. Voorts vergde deze manier van werken een heel andere organisatie ondergronds. De onderlinge afhankelijkheid van de mijnwerkers werd groter, de arbeidsdeling nam toe. De nieuwe bedrijfsvoering schiep op haar beurt weer ruimte voor verdere technische vernieuwing: vanaf de jaren dertig werden de schudgoten vervangen door transportbanden.

De verwevenheid van techniek, economie en organisatie is in zulke passages sterk aanwezig en dat maakt ze tot de interessantste van het boek. Uit die passages blijkt ook veelal de onbestemdheid van ontwikkelingen: of de aandrijving van de schudgoten nu pneumatisch of elektrisch moest gebeuren was de uitkomst van een onvoorspelbaar proces van afwegen van zeer ongelijksoortige factoren als investeringen en veiligheid. In Nederland koos men voor perslucht, in Engeland en Amerika daarentegen voor elektriciteit.

De rol van het toeval in de geschiedenis moet sowieso niet worden uitgevlakt. Omdat Willem I bij het opnieuw indelen van Europa na de val van Napoleon hardnekkig vasthield aan zijn claim op Kerkrade en omgeving, kwamen de mijnen daar in Nederland te liggen in plaats van in Duitsland. Het is maar zeer de vraag of zonder die vasthoudendheid van de koning überhaupt een Nederlandse mijnindustrie van enige betekenis tot stand zou zijn gekomen. En zonder deze was DSM er niet geweest, en Hoogovens waarschijnlijk ook niet.

Een andere historische toevalligheid was dat de provincies Groningen en Noord-Brabant zich in een vroeg stadium gingen bemoeien met de productie van elektriciteit. Zij waren de rijksoverheid vóór. De elektriciteitsproductie is hierdoor in Nederland altijd een regionale aangelegenheid gebleven waar het rijk weinig greep op kreeg, in tegenstelling tot in veel landen om ons heen. Pas de laatste jaren treedt onder invloed van liberalisering en internationalisering een schaalvergroting op.

Inmiddels is het benodigde bedrag van twintig miljoen gulden voor het hele project Techniek in Nederland in de twintigste eeuw bij elkaar, mede dankzij zo'n zeven miljoen gulden uit niet-academische bronnen als bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties. Dit jaar nog verschijnt deel III, de overige vier delen staan voor de komende twee jaar op stapel. Behalve deze zeven grote, dikke boeken, maken ook tal van proefschriften, thematische studies, bedrijfsgeschiedenissen en andere werken deel uit van het project. Nu het einde in zicht komt kijken auteurs en organisatoren al voorzichtig vooruit en koesteren ze Europese ambities. Gezien de soms grote verschillen in gekozen technische oplossingen voor nagenoeg identieke problemen in verschillende landen zie de aandrijving van de schudgoot zou internationaal vergelijkend onderzoek zeker nieuw licht kunnen laten schijnen op de samenhang tussen techniek, economie, politiek, organisatie en cultuur.

    • Dick van Eijk