Biomedische duikvlucht

Op 6 november organiseerde de Stichting Wetenschap en Maatschappij een feestavond in de Ridderzaal waar prominenten uit de maatschappij (industriëlen, politici) kennis konden maken met veelbelovende jonge onderzoekers en een enkele norse oude geleerde. De Stichting vindt dat onderzoek slecht gehonoreerd wordt en dat onderzoekers steeds minder maatschappelijk aanzien of invloed hebben. Een feestavond moest daar verandering in brengen. Het werd een roerende reünie van slagers en slachtvee. De slagers hebben het slachtvee gedecimeerd en maakten zich nu zorgen over een dreigend tekort aan vee. De captains of industry hebben het fundamentele onderzoek in eigen huis weggesneden, maar zien niet graag het genus geleerde ook uitsterven in de universiteit. De politici bezuinigen – het wetenschapsbudget loopt tot 2003 terug – maar willen wel dat de wetenschappelijke zwerfkip smakelijke eieren blijft leggen.

De jonge geleerden waren verguld: één avond werd slachtvee prachtvee. Gratis eten en drinken; aan tafel met medelevende toppers uit politiek en bedrijfsleven; en kroonprins Willem Alexander niet te vergeten, weer dikke mik met Mickey Huibregtsen (McKinsey), de voorzitter van het organisatiecomité. Prijzenswaardig die aandacht van prominenten voor de wetenschap, maar of één feestavond het tij keert betwijfel ik.

In mijn vakgebied zijn de vooruitzichten schitterend, maar met de Nederlandse bijdrage gaat het slecht. Het Nederlandse biomedische onderzoek is in een duikvlucht geraakt. De reden ligt voor de hand: geen mensen meer. De promovendi en post-doctorale medewerkers, die de proeven uitvoeren die slimme professoren bedenken, zijn schaars geworden. Vacatures worden steeds moeilijker vervuld. Van de personeelsplaatsen die in 1999 zijn toegekend door het Gebied Medische Wetenschappen van NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) was 40 procent nog niet volledig bezet per 1 oktober 2000. Bij de charitatieve fondsen gaat het, naar verluidt, niet beter.

Als het onderzoekersaanbod zo is teruggelopen, is het onvermijdelijk dat ook de gemiddelde kwaliteit van de aangestelde junior-onderzoekers terugloopt. Aspirant onderzoekers, die vroeger nooit in aanmerking zouden zijn gekomen voor een opleidingsplaats in een serieus lab, staan nu dapper te pipetteren of patiënt-gebonden onderzoek te doen. Dat kan niet goed zijn voor de kwaliteit van het onderzoek.

Toch hoor je daar weinig over in het openbaar en dat is te begrijpen. Wie de kost verdient met het verdelen van onderzoeksgeld, maakt niet graag bekend dat er problemen zijn met de besteding. Publiek en politiek zouden wel eens tot de conclusie kunnen komen dat er nog wel wat af kan. Wij onderzoekers wijzen ook graag op de positieve uitkomst van internationale vergelijkingen. Nederland scoort goed in het biomedische veld. Wat daar niet bij wordt gezegd is dat die vergelijkingen betrekking hebben op een vrij ver verleden. Het duurt een jaar of vijf voordat wetenschappelijk werk tot wasdom is gekomen en in internationale vergelijkingen is verwerkt. De duikvlucht van het biomedische onderzoek, die zo'n twee jaar geleden is ingezet, komt in al die evaluatierapporten nog niet tot uiting. Resultaten behaald in het verleden vormen geen garantie voor de toekomst, niet bij beleggingen en niet bij onderzoek. Zonder geld of menskracht kan het gauw misgaan.

Het gaat nu mis door gebrek aan mensen. In arbeidsintensieve takken van wetenschap, zoals het biomedische bedrijf, zijn veel meelopers nodig, enthousiast voor de wetenschap, maar geen ontdekkers. Dat zijn mensen die het leuk vinden om een tijd in het wetenschapsbedrijf mee te lopen en die denken daarmee een beter carrièreperspectief te krijgen, doorgaans terecht. Deze groep van meelopers deinde altijd al mee op de golven van de conjunctuur. Is de werkloosheid hoog, dan is wat extra opleiding mooi meegenomen; liggen de banen voor het oprapen, dan vertrekken de meelopers eerder naar hun eindbestemming, het bedrijfsleven of elders. Nu er een nijpend tekort is aan hoger opgeleid personeel, verliest het onderzoek de strijd om tijdelijk personeel. Elke promovendus of post-doc die de aan/uitknop van een computer kan vinden en die een alinea kan schrijven, kan in het bedrijfsleven veel meer verdienen dan in de Spartaanse universiteit.

Het zijn niet alleen de meelopers die minderen, maar ook de fanatieke kern van onderzoekers lijkt te slinken. Is dit een echo van de Amerikaanse ervaring dat slimme tieners al in een vroeg stadium voor het grote geld kiezen? Is het een weerspiegeling van het dalende maatschappelijke aanzien van leraren en professoren? Geen inspirerende voorbeelden, geen bevlogen navolgers? Of heeft het iets te maken met een zoekgeraakte balans tussen publiek en privaat, waarbij publiek gemarginaliseerd is?

Toen ik in de wetenschap ging was dat geen vetpot, maar je kon wel een fatsoenlijke flat huren in Amsterdam. Als je vlot professor werd, kon je zelfs een redelijk huis kopen. Een bankdirecteur verdiende meer, maar het werk was er dan ook naar. Wat het wetenschappelijk beroep aan honorering te kort kwam, werd gecompenseerd door vrijheid en maatschappelijke status. Een onderzoeker was niet rijk, maar zeker geen `loser', integendeel. We keken een beetje neer op die advocaten, die ongure en oninteressante types dienden, alleen om dat riante salaris. Geld verdienen was de minne compensatie voor mensen zonder talent.

Die arrogante positie werkte prima, zolang er een zeker evenwicht was tussen publiek en privaat, zolang een onderzoeker kon wonen in de buurt van zijn werk en in de buurt van goede scholen voor zijn kinderen. Dat evenwicht is echter zoek. Bankdirecteuren willen Angelsaksische salarissen, niet meer driemaal het salaris van een professor, maar het tienvoudige. Middelmatige managers van middelgrote bedrijven bedingen optieprogramma's die miljoenen opleveren, zelfs als ze niet meer presteren dan het gemiddelde van de bedrijfstak. Wie slim is en niet lui wordt rijk, behalve die sukkels in de wetenschap: geen Angelsaksische salarissen, geen optieprogramma's, zelfs geen toeslagen voor gebieden waar de huizenprijzen onbetaalbaar zijn geworden, zoals in Engeland de `London allowance'. De overheid doet niets om het tij te keren. De overheid privatiseert.

De overheid denkt dat contractresearch, sponsoring, nevenbaantjes, oprichting van bedrijfjes door academici en ander gerommel in de marge het academische onderzoek wel zullen stutten. Alsof met rommelresearch slecht betaalde promovendi zijn te lokken. Alsof deze rommelresearch geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschapsbedrijf. Alsof geen scheve verhoudingen ontstaan in de universiteit tussen stafleden die werken in lucratieve gebieden en stafleden die onderzoek doen dat niet verkoopbaar is. Alsof universiteiten zich zouden moeten concentreren op verkoopbare wetenschap.

De duikvlucht van het biomedisch onderzoek is onderdeel van de neergang van de publieke sector en met Jorritsma in de cockpit zal de koers niet makkelijk worden verlegd. Cynici zien dan ook geen verbetering tot de regering zelf vastloopt, omdat er geen belastinginspecteur meer is om geld te innen en geen officier van justitie die een kloppende dagvaarding kan produceren. Dan zullen ook de Jorritsma's gaan beseffen dat de overheid niet alleen jammerend de markt kan volgen met doekjes voor het bloeden, een toeslagje hier een extra faciliteitje daar, maar een actief en concurrerend personeelsbeleid moet ontwikkelen, marktleider in plaats van marktvolger.

Zo'n personeelsbeleid moet gedifferentieerd zijn, Amsterdam is duurder dan Groningen. Het moet niet alleen concurrerend zijn onder in de arbeidsmarkt, maar ook bovenin, waar optieplannen en andere versieringen standaard zijn geworden in de private sector. Zolang dat beleid er niet is, zijn tijdelijke maatregelen nodig, zoals een versoepeling van de tijdrovende regels voor import van onderzoekers uit ontwikkelingslanden. Amerika heeft zijn importquota recent nog weer verhoogd en beschikt al over snelle toelatingsprocedures. De post-doc die tegelijkertijd een baan aangeboden krijgt in Nederland en in de VS, eindigt in de VS, omdat de aanvraag daar veel sneller wordt afgehandeld.

Op lange termijn zou Nederland grootscheeps en gericht moeten investeren in het aantrekken, opleiden en vasthouden van onderzoekers, net als de Amerikanen doen. Dat begint al met `wetenschap op school', wetenschapsprogramma's opgezet vanuit de universiteit; bijscholing van leraren; en scholarships in de universitaire bèta-vakken. Maar het belangrijkste blijft toch een carrièreperspectief. Met een wetenschapsbudget dat gestaag terugloopt wek je geen enthousiasme, zeker niet als de rest van de ontwikkelde wereld enorm investeert in biomedisch onderzoek.