Zenuwen hebben hoort niet

Veel podiumkunstenaars hebben er last van, van een jagend hart, trillende handen, een dichtgeknepen keel, zweten. Podiumangst. Men praat er liever niet over.

,,Ik zing onder Von Karajan, ik moet invallen in Don Giovanni. Leporello, ik ken de rol. Ik ga het toneel op en dan blijkt dat ik in La Bohème sta.''

Nachtmerries van podiumkunstenaars spelen op hun werkterrein. Soms kunnen zij het theater niet vinden. Is de ingang versperd. Hangt het verkeerde kostuum in de kleedkamer. Horen ze de muziek al, is de eerste akte reeds aan de gang; of wordt er ineens een ander stuk opgevoerd.

Bas-bariton Lieuwe Visser, die in de verkeerde opera bleek te staan, beseft het: de nachtmerrie is de blauwdruk van zijn podiumvrees. Vandaar dat hij hem navertelt met een mengeling van zelfspot en schroom. ,,Waarom is het, denk je, dat operazangers zo dikwijls op het laatste moment afzeggen? Ik heb vaak genoeg moeten invallen, dat gaat heus niet altijd om veertig graden koorts.''

Iedereen die wel eens een praatje moet houden voor collega's op het werk, op een feestje, heeft er ervaring mee. Met de angst die voor aanvang opdoemt, dikwijls volgens een vast patroon: het bonzend hart, de droge mond, de kriebelende nekharen. Het verlangen om te excelleren in gezelschap, om boven de anderen uit te stijgen wordt bestraft met podiumvrees. Musici, dansers, toneelspelers, alle uitvoerend kunstenaars hebben er mee te maken. Ook de componist die flauwvalt bij de première van zijn nieuwe stuk, de auteur die de openingsvoorstelling op straat doorbrengt, de regisseur die ieder kuchje van het publiek registreert.

Een beetje spanning is goed. Ze scherpt de zintuigen, verhoogt de concentratie. Meestal verdwijnen de fysieke symptomen kort na de opkomst om zich, je kunt er de klok op gelijk zetten, een volgende keer opnieuw te manifesteren. Telkens weer. Een chronische kwelling die blijkbaar niet kan worden uitgebannen door triomfen uit het verleden.

Gadegeslagen willen worden om wat je kunt. Zelfs als het dag in dag uit tot in de puntjes wordt getraind, stribbelt het lichaam tegen. Jane Lord, soliste bij Het Nationale Ballet, weet niet beter: ,,Voor de voorstelling in de coulissen staan en mijn beenwarmers afdoen en dan het gevoel hebben of mijn dijen onafhankelijk van de rest van mijn lichaam rechtsomkeert willen maken. Na twee minuten op toneel gaat het langzaam over, omdat ze in het ritme komen. Tenminste, in de meeste gevallen.''

Pijn mag

Studies uit de afgelopen vijftien jaar bewijzen hoe wijdverbreid podiumvrees is en toch komt praktisch niemand er ruiterlijk voor uit. Zoals Jane Lord zegt: ,,Pijn mag, pijn is normaal. Je krijgt zonder problemen een aspirine van een collega. Maar zenuwen hebben, dat hoort niet. Stagefright is iets waar niemand over praat.''

Acteur Hajo Bruins bevestigt: ,,`Ach, stakker!' Dat is het laatste wat je wilt oproepen.''

Lineke Rijxman, zijn collega bij Toneelgroep Amsterdam, meent dat openlijk toegeven het spel nadelig zou beïnvloeden. ,,Dus geef je je niet bloot aan je collega's. Maar ik herken ze allemaal, want iemand die lijdt, herkent de lijders. Sommigen hebben een fobie ontwikkeld, er zijn er met darmklachten en je hebt de schreeuwers die je het liefst voor de voorstelling wilt afschieten.''

Lieuwe Visser barst los: ,,Het uitte zich bij mij in een krankzinnige pols, 180/190, tintelende vingers en tenen. Acute diarree – dat het je dun in de broek loopt, is beslist geen sprookje. De schouders gaan omhoog en de ademhaling gaat mee waardoor de steun voor de stem, die uit het middenrif moet komen, eraf gaat. Ik kan de lucht alleen nog maar uit mijn dichtgeknepen keel halen en daardoor stijgt mijn stem. In het begin ging het niet over en bleef de paniek als een schaduw over de hele uitvoering hangen.''

,,Het gaat om de ogen die op ons gericht zijn. Podiumvrees is de angst om negatief beoordeeld te worden'', zegt psychiater dr. Irene van Vliet. Zo'n tien jaar geleden is zij in het Universitair Medisch Centrum Utrecht begonnen met gespecialiseerd onderzoek naar de biologische aspecten van sociale fobie, de stoornis die sinds 1980 een officiële classificatie heeft gekregen (DSM III). Irene van Vliet beschouwt podiumvrees als een afgeleide hiervan. ,,Massa's mensen hebben er last van. Ik ook. Spanning is nodig, het maakt alert. Niet alleen onze zintuigen, maar alle cognities – alles in ons lichaam waarmee we waarnemen – worden in stelling gebracht om ons te concentreren op het optreden. Het denken vernauwt zich zodanig, dat alleen één gedachte zich nog uit. Als de spanning te groot wordt, de angst toeneemt, gaat het ten koste van de prestatie.''

Berucht in toneelkringen is het voorval met Guus Hermus. Tijdens een voorstelling van De man van La Mancha, vele jaren geleden, raakte de acteur versteend van angst. Hij kon geen woord meer uitbrengen, geen stap meer verzetten. Het doek werd halverwege neergelaten. ,,Ze hebben hem daarna met geweld moeten opduwen'', vertelt regisseur Gerardjan Rijnders, ,,maar die ervaring is wel de reden geweest dat hij is gestopt.''

Een ander voorbeeld dat Rijnders niet snel vergeet, is de kwestie van de beginscène uit Verf van Bert Edelenbos: ,,Een stuk met alleen maar vrouwen. Wat vroegen de actrices: `Mogen de lepeltjes alsjeblieft uit de theekopjes?' Het zou immers storend zijn in het begin, al die rinkelende kopjes in hun bibberende handen. Mannen hebben het wat makkelijker, zie maar eens hoeveel acteurs bij aanvang hun handen in hun broekzakken houden.''

,,Maar aan het trilbeen doe je niets!'' Lieuwe Visser springt op en geeft een plastische voorstelling van zaken, de pijpen van zijn pantalon rillen als door een lichte tocht, terwijl hij er overigens onbewogen bij staat: ,,Je weet zeker dat iedereen het ziet, door je broek heen.''

De bron van de angst is volgens Lieuwe Visser fundamenteel: ,,Ik heb me soms gevoeld als een goede hardloper. Iedereen weet dat ik hard kan hollen. Ik ook. Maar misschien vliegt mijn schoen onderweg wel uit'', zegt hij met een verontschuldigend lachje. ,,Succes, goede recensies, het maakt allemaal niet uit, de angst blijft.''

De blik geconcentreerd naar binnen gericht prevelt Hajo Bruins op ratelsnelheid een paginalange claus, zonder haperen. ,,Zo werkt dat. Feilloos diep ik teksten op die ik jaren niet heb gespeeld. Het ligt allemaal opgeslagen, tekst zonder beelden. Als ik speel, komen er talloze beelden. Wat er op toneel met je gebeurt is nauwelijks te beschrijven; je kunt fysiek dingen aan die in het gewone leven niet mogelijk zijn. Toch is het net als bij sport'', verzucht hij, ,,hoe goed je je ook prepareert, je kunt de meesterlijke avond niet voorbereiden. Als het goed is komt de tekst eruit alsof ze op het moment ontstaat. Zodra je er bewust mee bezig bent, is de magie er af. In vijftien jaar heb ik misschien vier of vijf keer meegemaakt dat het ging zoals het gaan moet: zomaar.''

Naar gevoel

Op het repertoire zien dat het gezelschap een bepaald stuk over driekwart jaar zal uitvoeren en al weten dat daar de maat in zit waar het ooit mis ging. Daar driekwart jaar over inzitten. Jane Lord kent dit gevoel waar vooral orkestmusici onder gebukt kunnen gaan: ,,Als ik mijn naam op de rolverdeling zag staan, begon het nare gevoel al. Stond ik er niet op, was het evengoed erg, want daarmee leek mijn nederlaag bevestigd.'' Ze heeft het over zeven seconden in het eerste deel van Balanchine's Symfonie in C. Over de drievoudige herhaling van een passencombinatie naar voren met telkens twee dubbele pirouettes achterwaarts. ,,Van tevoren ben ik al doodnerveus. Naarmate de passen dichterbij komen, wordt het steeds erger tot een hitte uit mijn nek opstijgt. Geen koude rillingen, geen zweet, maar hitte. Ik raak geblokkeerd in mijn schouders en mijn benen en ondertussen ben ik bezig die zeven eindeloze seconden door te komen.''

Het maakt niets uit of de combinatie lukt: ,,De angst blijft, de blokkade ook en de angst voor de blokkade dus eveneens. Soms heb ik de techniek een beetje weggemoffeld, hup snel snel doen, dan is het voorbij. Dacht ik. Maar daardoor werd het extra moeilijk. Alles waar ik altijd bang voor ben geweest, ligt besloten in die zeven seconden.''

Lineke Rijxman typeert zichzelf als een angstig premièrespeelster. Op de première van het stuk Herakles had ze het morbide idee dat ze in duizendvoud op toneel stond. ,,Het leek alsof ik ter plekke verdween. De angst zet zijn tentakels in je vrijheid, juist daar, waar ik het liefste ben, op toneel, voor een publiek. Dat is het verschrikkelijke, de angst vergalt het plezier. Herakles was een dieptepunt, het heeft me twee maanden aan herstelwerkzaamheden gekost. Ik ben daarna de rol mooi gaan spelen, maar mijn hele systeem bleef heftig reageren op het kostuum, de pruik, de aanblik van mijn collega's, de rekwisieten.''

Of zulke angsten duiden op doodsangst, valt volgens Irene van Vliet niet te controleren. ,,Het is wel zo dat depressiviteit vaak samengaat met creativiteit. Het komt veel voor bij kunstenaars.'' Ze heeft enkele musici onder haar patiënten. Hun vrees heeft zulke proporties aangenomen dat hun werk eronder is gaan lijden. ,,Dan zou ik het een echte vorm van sociale fobie willen noemen. Sommigen raken zodanig verstrikt in hun angst, dat het hen onmogelijk is nog langer op te treden.''

Gerardjan Rijnders is vanwege zijn podiumvrees vaak gestopt met acteren, ,,totdat er weer een productie komt, die ik zo graag wil doen dat ik de angst wegdruk''. Met zijn acteurs heeft hij nooit en groupe over het fenomeen gesproken. ,,Je kunt wel roepen, dat iemand zich geen zorgen hoeft te maken, maar het helpt niks. Sommige acteurs gaan er voor in therapie. Ze doen maar, daar bemoei ik me niet mee. Ik zweer bij de bètablokker.''

Net als Lieuwe Visser, die in 1980 het artikel las in het medische tijdschrift The Lancet (1977) over een geslaagd experiment onder musici met dit medicijn tegen hoge bloeddruk. ,,Ik heb het onmiddellijk geprobeerd. Ik moest invallen in Strawinsky's Les Noces onder Haitink. Mijn pols zakte, het werkte. Ik kon zelfs de vergissingen van de anderen horen.''

,,De bètablokker vermindert de hartslag en het trillen. Het is alsof de thermostaatknop langzaam wordt teruggedraaid. Maar de werking in de hersenen is niet aangetoond'', verklaart Irene van Vliet.

De verhalen zijn legio over podiumkunstenaars die naar de fles grepen en daarmee niet alleen hun plankenkoorts verdreven, maar op den duur ook hun kwaliteiten. Hajo Bruins vermijdt alles wat zijn fysieke toestand kan beïnvloeden. Geen alcohol voor een voorstelling, ook geen koffie, want dat kan de hartslag verhogen. ,,Alle denkbare trucs zijn een tweede natuur geworden'', zegt hij, ,,Zo deed ik wel eens te strakke schoenen aan. Het was zo pijnlijk dat ik mijn angst vergat en maar aan één ding dacht: als straks die schoenen maar uitmogen.'' Sinds hij de gevolgen van een ernstige oogziekte overwonnen heeft, is zijn podiumvrees afgenomen: ,,Ik ben nu gezond bang. Vroeger had ik slapeloze nachten, zei af. Het komt nog wel eens voor dat ik midden in een stuk `wakker word', dat ik mezelf zie spelen. Ik noem het `het derde oog'. Dan word ik ter plekke kletsnat, mijn oren piepen, mijn ogen worden droog, daar helpt geen knipperen aan en ik sta te trillen.''

Roddels

In 1998 werd Lineke Rijxman voor haar rol in Liefhebber bekroond in St. Petersburg. Ze heeft het stuk in bijna negen jaar tegen de tweehonderd keer gespeeld. Waardering noch de lange ervaring verminderen de vrees: ,,Vóór elke voorstelling controleer ik, nog in mijn gewone kleren, de rekwisieten, door ze allemaal aan te raken, altijd in dezelfde volgorde. Dan kleed ik me om. Tijdens het opzetten van mijn pruik leest collega Titus Muizelaar voor uit het opschrijfboekje waarin collega Fred Goessens de one-liners, roddels en beledigingen van de dag heeft genoteerd. Op toneel raak ik opnieuw alle rekwisieten aan. Ik ga op de bank zitten. De technicus vraagt: `Kunnen we?' Ik antwoord: `Nee.' Mijn collega's en ik werpen elkaar een vingerkus toe. De muziek start, het publiek komt binnen, en daar gaan we. Bijgelovig? Kennelijk wel. Het is prettig om houvast te hebben aan rituelen.''

Ondanks de groeiende kennis van de werking van de zenuwcellen (die stoffen doorgeven als noradrenaline en serotonine waardoor de podiumvrees toeslaat) is nog altijd niet vast komen te staan hóe de neurobiologie het menselijk gedrag beïnvloedt. Een veelomvattende studie in Amerika in 1991 onder bijna honderd musici die aan podiumvrees leden, heeft veel gegevens opgeleverd over de bestrijding van de symptomen. Naast het gebruik van medicijnen is er een therapie ontwikkeld die volgens Irene van Vliet werkelijk helpt. ,,Tijdens de cognitieve therapie leren patiënten de vernauwing in hun denken te weerstaan door bewust aandacht te besteden aan andere dingen. Dat is het grote verschil met tien jaar geleden. Het is nu mogelijk om samen met de patiënt na te gaan hoe de gedachten verlopen en te bepalen hoe reëel de angsten zijn.''

Hajo Bruins vond zijn eigen manier: ,,Ik dwing mezelf het publiek als zeshonderd individuen te zien en niet langer als het 600-koppige monster waar ik bang voor was. En ik heb elke avond een voornemen om een bepaalde passage, een wending te vervolmaken.''

,,Ik weet zo ontzettend veel meer over dans dan vroeger. Ik voel de ogen die ik altijd op me gericht dacht steeds minder, ben zekerder'', zegt Jane Lord. Meer tijd nemen was voor haar het antwoord op de technische problemen. ,,Geef me nog een paar jaar, dan heb ik mijn angst voor de dubbele pirouette ook overwonnen. Maar op het moment dat je geestelijk volgroeid bent, begint de aftakeling van je lichaam. Dansers hebben zo weinig tijd.'' Haar dansloopbaan bij Het Nationale Ballet is onlangs geëindigd.

,,Ik heb geleerd om soms bepaalde verschijnselen op te nemen in mijn rol'', zegt Lineke Rijxman, ,,Het gebalde vuistje bijvoorbeeld. De angst is een deel van mijzelf. Maar als ik één keer 'ns op zou kunnen zónder!''

,,Ken je de anekdote van de Engelse officier en de Chinees in Burma?'' vraagt Lieuwe Visser. ,,Het is oorlog, ze moeten door de linies. De Chinees zweet en is vreselijk bang. De Engelsman, stiff upperlip, geeft geen krimp. Jij bent ook geen held, zegt de Engelsman neerbuigend als ze veilig zijn aangekomen. O, ja? zegt de Chinees, wie is er nou de held? Jij voor wie het niets uitmaakt om door de vuurlinies te gaan of ik die het doe terwijl ik doodsangsten uitsta?''

Een uitvoerige inventarisatie, de symptomen en de bestrijding van het fenomeen bij amateur- en beroepsmusici is te vinden in `Podiumangst' van Pim Wippoo en Liesbeth Citroen, uitgeverij Boom 1998