Weg van de folklore

J.J. Voskuil portretteerde zijn vak, volkskunde, als de meest nutteloze vorm van wetenschap. Zijn opvolgers bij het Meertensinstituut publiceerden een bundel over wat zij doen, en waarom.

In zijn romancyclus Het Bureau heeft J.J. Voskuil een ontluisterend beeld geschetst van de wijze waarop in Nederland aan een onderzoeksinstituut wetenschap wordt beoefend. Tot in het kleinste detail beschrijft hij de gang van zaken binnen de volkskunde aan het P.J. Meertens instituut in Amsterdam, waar hij ruim dertig jaar werkte. Na het lezen van passages als die over de samenstelling van de verspreidingskaart van `de nageboorte van het paard', moet bij veel lezers de twijfel hebben toegeslagen aan het nut van deze wetenschappelijke discipline en de zoektocht naar oude cultuurgebieden.

De beoefenaars van de door Voskuil geridiculiseerde discipline hebben nu met een krachtig wapen teruggeslagen. In de onlangs verschenen bundel Volkscultuur geven zeven auteurs een overzicht van de stand van zaken in het volkskundige ofwel etnologische onderzoek. Na een beknopte geschiedenis van de beoefening van de volkskunde in Nederland en een samenvatting van het internationale etnologische debat, wordt in vijf hoofdstukken telkens één deelaspect nader uitgewerkt: materiële cultuur, feesten en rituelen, religieuze volkscultuur, vertelcultuur en zangcultuur. De auteurs negeren met opzet Voskuils literaire reflecties en beperken zich tot zijn wetenschappelijke werk. Opvallend is dat de auteurs van de twee eerstgenoemde hoofdstukken, Ton Dekker (Ad Muller in Het Bureau) en Herman Roodenburg, zich veel negatiever uitlaten over het wetenschappelijke oeuvre van Voskuil dan de auteurs van de hoofdstukken met een meer thematische invalshoek.

De auteurs – op één na (Peter Nissen) allemaal verbonden aan het Meertens Instituut – zijn er goed in geslaagd om op een overzichtelijke en heldere manier uiteen te zetten welke veranderingen zich in de Nederlandse volkskunde hebben voltrokken. Als reactie op de romantische en ideologisch bepaalde `continuïteitsgedachte' (waarbij van veel verschijnselen de oorsprong bij voorkeur in de Germaanse mythologie gezocht werd), heeft zich de laatste decennia een `historisering' en een `sociologisering' voltrokken. De door de hedendaagse etnologen bestudeerde cultuurverschijnselen worden steeds in hun historische ontwikkeling geplaatst, gesitueerd in hun sociale gelaagdheid en in hun geografische reikwijdte.

Volksfeest

Dat is absoluut een breuk met het verleden. Vanaf haar begin in de achttiende eeuw is de etnologie bezig geweest om de `authentieke' volkscultuur te documenteren en voor het nageslacht vast te leggen. Dit aan de eigen volksaard gerelateerde erfgoed werd in veel Europese landen ingezet als middel om de nationale identiteit te versterken, niet alleen in Duitsland en tal van Midden- en Oost-Europese landen, maar ook in Nederland.

Het `Vaderlandsch Historisch Volksfeest' was daarvan een goed vorbeeld. In 1919 organiseerde D.J. van der Ven (die in Het Bureau voorkomt onder zijn eigen naam, wat wordt gezien als Voskuils wraak voor Van der Vens latere `foute' houding tijdens de oorlog) op het terrein van het Openluchtmuseum in Arnhem deze manifestatie, die de eenheid van het Nederlandse volk in zijn regionale verscheidenheid moest laten zien. Dat gebeurde door middel van allerlei vormen van volkscultuur uit de elf provincies: klederdrachten, feesten, volksdansen, enzovoorts. Het werd een groot succes, mede dankzij de opgelaaide nationalistische gevoelens in Nederland. De revolutionaire stemming in Europa, de mislukte poging tot revolutie door Troelstra en de Belgische annexatieplannen met betrekking tot Limburg en Zeeuws-Vlaanderen hadden daar het hunne toe bijgedragen.

Het krachtige nationalistische reveil dat van het Vaderlandsch Historisch Volksfeest uitging, werkte bij de volkskundigen en folkloristen lang door. Het is dan ook niet vreemd dat velen van hen open stonden voor het nationaal-socialisme; in het recent verschenen elfde Jaarboek van het NIOD wordt overigens uitvoerig beschreven dat de volkskunde hierin niet alleen stond, maar dat alle sociale wetenschappen zulke beoefenaars kenden. Zo schreef de folkloriste Gerda Schaap in 1943 in de derde druk van Volk van Nederland dat de volkskunst alleen daar op het platteland werd aangetroffen waar van oudsher voldoende Germaans bloed aanwezig was. Ten zuiden van de grote rivieren was de volkskunst volgens haar ontaard en vertoonde ze overeenkomsten met de `religieuze en erotische kleinplastiek van gevangenen en krankzinnigen'. Na de oorlog werden vooraanstaande volkskundigen uit hun functie gezet (bijvoorbeeld prof. J. de Vries; in Het Bureau eveneens onder zijn eigen naam) of kregen een publicatieverbod (zoals S.J. van der Molen; in Het Bureau: Van der Meulen).

Het duurde nog tot lang na de oorlog voordat bij de volkskundigen het besef doordrong dat de tijd voorbij was dat men zich in hoofdzaak op de boerenbevolking kon concentreren als de meest traditionele sociale groep binnen de bevolking. Het is P.J. Meertens zelf geweest (jawel, meneer Beerta) die in 1960 de knuppel in het hoenderhok gooide door te beweren dat de volkskunde zich ook diende bezig te houden met de veel grotere groep van de industriearbeiders. Dat was een revolutionaire stelling. Immers, tot op dat moment golden de industriearbeiders als hèt afschrikwekkende toonbeeld van mensen die vijandig staan ten opzichte van traditie en gemeenschap.

Mentaliteitsgeschiedenis

Het volkskundig onderzoek in Nederland was daarna, onder meer als reactie op het gemythologiseer van de oudere garde, sterk historisch georiënteerd. De inbreng van historisch gerichte antropologen en van historici die bekeerd waren tot de Franse mentaliteitsgeschiedenis speelde hierbij een grote rol. In de jaren negentig werd het roer radicaal omgegooid en werd het vizier (ook) gericht op de hedendaagse, nog levende volkscultuur.

De cultuurhistoricus Rooijakkers, een dezer dagen benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, neemt twee van de vijf thematische hoofdstukken voor zijn rekening. De titel van zijn bijdrage over de materiële cultuur (`Mensen en dingen') dekt de lading van het nieuwe inzicht volledig. Zoals de belangstelling van archeologen verschoven is van de opgegraven pot naar de persoon die hem gebruikt heeft, zo zijn ook volkskundigen meer geïnteresseerd geraakt in de mensen achter de beschreven voorwerpen. De bewaard gebleven voorwerpen geven een sterk vertekend beeld van de historische werkelijkheid, die door verzamelaars en musea in de hand is gewerkt. Zo wordt, afgaande op de overgeleverde meubels, gemakkelijk verondersteld dat in de zeventiende en achttiende eeuw de meeste kisten en kasten waren gemaakt van eikenhout. Men vergeet daarbij dat het veel minder duurzame zachthout (iep, wilg en linde), waarvan de meeste gebruiksmeubelen gemaakt waren, de tand des tijds simpelweg niet heeft doorstaan.

De betekenis van een object wordt, aldus de huidige onderzoekers, bepaald door de context: het gebruik dat ervan werd gemaakt. Ontbreekt die informatie, dan blijven `de objecten slechts stille getuigen die als fossiele relicten van menselijk gedrag worden gekoesterd in museale knekelhuizen', aldus Rooijakkers. Rooijakkers plaatst ook kritische kanttekeningen bij de `musealisering van de wereld'. Niet elk historisch waardevol gebouw kan gemusealiseerd worden door er een stolp omheen te plaatsen of het over te brengen naar een openluchtmuseum. Het dient in het leven van alledag bewoond en gebruikt te worden. Dat hiermee de karakteristieke elementen van een historische wooncultuur veelal verdwijnen, is jammer, maar strikt genomen onvermijdelijk en ook niet onoverkomelijk. Mits goed onderzocht en gedocumenteerd.

Met deze stellingname breekt hij dus rigoureus met het engagement van zijn voorgangers, die meenden dat zij moesten redden wat er nog te redden viel. De vroegere volkskundigen werden niet moe te beweren dat het `vijf voor twaalf' was. Het verzamelen van objecten, het vastleggen van rituelen en het ijverig noteren van allerlei versies van verhalen en liederen werd vanaf eind achttiende eeuw door deze overtuiging gemotiveerd. Uit Volkscultuur blijkt dat dit een doodlopende en heilloze weg is. Nog nooit kende Nederland zoveel `tradities' en nog dagelijks ontstaan er nieuwe verhalen en liederen. Waren het in de oude volkskunde de boeren en vissers die werden verheerlijkt, de laatste tijd lijkt het dat etnische minderheden die fakkel te hebben overgenomen. Culinaire cultivering en toeëigening (rijsttafel, kebab, couscous) en participatie in het feestrepertoire (pasar malam, suikerfeest en het Antilliaans carnaval in Rotterdam) zijn uitingen van de culturele dynamiek op dit vlak. Dat ook deze eigentijdse feesten en gebruiken, met allerlei door VVV en middenstand gepropageerde `tradities', onderwerp van studie zijn aan het Meertens Instituut, in het project `Dutch Rituals', zal de lezer van Het Bureau niet hebben verwacht. De schrijver trouwens ook niet.

T. Dekker, H. Roodenburg en G. Rooijakkers (red.): Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie. SUN, 445 blz. ƒ49,50