Volg het geld

W.L.Brugsma heeft eens geschreven dat grote ondernemingen de baronieën en graafschappen van onze tijd zijn. Hij doelde op hun ongebreidelde en ongecontroleerde macht. Ze kunnen in beslotenheid hun gang gaan, hebben geen lastig parlement en worden hooguit een enkele keer door de pers onder vuur genomen. Maar uitgerekend het bedrijfsleven en de beurs zijn jarenlang stiefkindjes van de journalistiek geweest, hoewel de grote Angelsaksische kranten The Financial Times en The Wall Street Journal sinds hun oprichting het tegenovergestelde hebben bewezen.

Hier te lande stond de financieel-economische berichtgeving tot een jaar of vijftien geleden in laag aanzien. Het was iets dat met een gerust hart aan Het Financieele Dagblad kon worden overlaten. De beursredacteur had misschien wel kennis van zaken, maar in zijn krant was daar zelden wat opzienbarends van te merken. Uitzonderingen daargelaten was het peil van de berichtgeving laag en de aard van het geschrevene braaf. Op radio en televisie bestond het onderwerp niet.

Dat is ingrijpend veranderd. De markt heeft hier zijn heilzame werk gedaan. Helaas overtreft de kwantiteit aan berichtgeving ruimschoots de kwaliteit. In de economie komt dat vaker voor; elke vraag schept zijn eigen aanbod en zoals bekend is er meer vraag naar rommel dan naar goede waar. Accuratesse, volledigheid, originaliteit en kennis van zaken zijn in de financieel-economische journalistiek nog steeds schaars. Hoe indrukwekkend de stroom aan publicaties inmiddels ook is geworden, het blijft net als vroeger graven naar de goudkorrels.

Wat de markt biedt kan iedereen lezen, zien en horen: er zijn in financiën en economie gespecialiseerde dagbladen en bijlagen, weekbladen met pagina's aan beschouwingen over geld en goed, maandbladen die louter drijven op de quotes van toplui uit het bedrijfsleven, tv-programma's vol gewauwel over de vraag welk aandeel zal stijgen of dalen, een radiostation dat non-stop berichten over het zakenleven uitzendt, websites met de allerlaatste beurskoersen en duizenden doorklikmogelijkheden naar nòg meer financiële informatie.

Wie zit er bij dan nog te wachten op wat Paul Frentrop te vertellen heeft?

Frentrop schrijft stukjes voor het financieel-economische weekblad FEM/De Week. Hij is oud-financieel journalist, oud-bankier en kenner van het bedrijfsleven. Hij mag zich ook schrijver noemen, nu zijn columns zijn gebundeld in een boek met de onuitspreekbare titel Corporate en andere Governance.

Wat is corporate governance? Ik had een ander boek nodig om daar achter te komen, het naslagwerkje Economie, 1500 termen van A tot Z van Schöndorff, Pleus en De Kam. Het is, schrijven zij, `Engels voor bedrijfsvoering.' En: `In 1997 zijn in ons land terzake aanbevelingen gepubliceerd door de Commissie Corporate Governance, naar zijn voorzitter J. Peters in de wandeling de Commissie-Peters genoemd. Deze commissie heeft veertig aanbevelingen gedaan over adequaat ondernemingsbestuur, effectiever toezicht op bedrijfsdirecties en grotere openheid. Centraal staat de vergroting van de zeggenschap van de aandeelhouders'.

Het is een onderwerp dat velen aangaat, maar waarvan slechts weinigen het fijne weten. Hoe worden grote ondernemingen bestuurd en gecontroleerd? Het antwoord is van belang omdat de verantwoordingsplicht van het Nederlandse bedrijfsleven in wezen nog steeds weinig voorstelt. Kwartaalcijfers, een jaarverslag, een slaapverwekkende aandeelhoudersvergadering – en daar houdt het ongeveer mee op. Directies zijn afschermd door voorlichtingsstaven die getraind zijn in het geven van nietszeggende antwoorden op lastige vragen. Van transparantie is geen sprake, noch bij het bestuur noch bij het toezicht daarop. Natuurlijk is er de laatste jaren wel iets veranderd, met dank aan de commissie-Peters. Ook de aandeelhouder is mondiger geworden. Maar er is nog een lange weg te gaan.

Frentrops columns gaan niet alleen over bedrijfsvoering. Ze gaan ook over politiek, geschiedenis, de omroep, de journalistiek, het koningshuis, de taal en nog veel meer. In de bundel staan 85 stukjes. De meeste ervan zijn goudkorrels. Ze bevatten originele gedachten, zijn stilistisch interessant en getuigen van kennis van zaken. En ze weerspiegelen luid en duidelijk de mening van de auteur. Frentrop schuwt de nuance en gaat zelden ongerijmde conclusies uit de weg. Dat maakt hem soms rabiaat, soms onnavolgbaar. De eerste columns zijn getiteld `Ontsla alle uitvreters', `Weg met de Verenigde Naties' en `Hollands handicap'. Die laatste gaat over de Nederlandse taal, die volgens Frentrop beter door het Engels kan worden vervangen zodat onze kinderen `dan geen handicap meer hebben op de internationale arbeidsmarkt' (sic).

Deze eerste stukjes zijn algemene smaakmakers voor wat verderop volgt aan gespecialiseerde kost: het bedrijfsleven, Frentrops fort. Die `algemene' columns zijn niet de beste, en toch zijn ze goed genoeg om in dit boek te staan. Ze verrassen of zijn op een niet onprettige manier ergerniswekkend.

De verdienste van Corporate en andere Governance is dat Frentrop in rake woorden het ondoorzichtige zichtbaar maakt. Hij geeft de mannen in pakken, die uiteindelijk gaan over ons welzijn op kantoor en over ons salaris en dividend, een duidelijk smoel. Hij zet ze met hun fouten te kijk en doorbreekt daarmee de magie, de zweem van onfeilbaarheid, die nog steeds om raden van bestuur en commissarissen hangt. Hun handelen en dat van de beschreven ondernemingen wordt nader verklaard en waar nodig van kritiek voorzien.

Frentrop speelt altijd op de man. En hij zoekt het dicht bij huis: ingewikkelde bedrijfsstrategieën, visies en vergezichten en andere holle frasen die ondernemers graag in interviews naar voren brengen gaat hij uit de weg. Volg het geld en kijk wie verantwoordelijk zijn als het fout gaat, is zijn devies.

De toon in zijn columns is over het algemeen die van een vader die zijn kind vriendelijk corrigeert. Maar de ondertoon is venijniger. Frentrop laat de fouten en vele onduidelijkheden zien in ondernemingsbestuur en het toezicht daarop, legt en passant structuren bloot en toont de lezer verbanden en relaties. Bovendien houdt hij wel van een beetje wellevend sarren. Philips, World Online, HBG, Baan, ABN Amro, Shell, Koninklijke Bijenkorf Beheer, Gucci, CSM: ze komen allemaal met een actuele aanleiding aan de beurt. Uit iedere casus, soms voorzien van een historische parallel, valt wel een les te trekken die de actualiteit overleeft. Dat maakt deze stukjes bijzonder.

Corporate en andere Governance heeft jammer genoeg register noch literatuurlijst. Het boek heeft, behalve die verschrikkelijke titel, een malle omslag en een achterflaptekst die tot nadenken stemt. Het is de auteur zelf, die pontificaal en geamuseerd-grimlachend op de cover staat. De tekst op de achterzijde is een hartelijke aanbeveling van Frentrops columns door de heer Pierre Vinken, oud-bestuursvoorzitter van Reed-Elsevier. Voor- en achterkant geven met verschillende middelen hetzelfde signaal af: `Koop mij' en `Lees hem'. Maar Frentrop heeft zijn eigen foto niet nodig om dit uitstekende werkje aan te prijzen. En als onafhankelijk auteur moet hij zich eens ontdoen van de door hem bewonderde professor Vinken, genie in ruste. Frentrop komt er als origineel schrijver en denker zelf ook wel.

Paul Frentrop: Corporate en andere Governance.

Bert Bakker, 255 blz. ƒ36,50