Toekomstvoorspelling

Een mooi moment voor een onderzoeker die grasduint in een archief is de vondst van een document van opmerkelijke waarde. Het lezen van zo'n document kan je verbazen. Vooral als het op een opvallende manier de toekomst voorspelt, zonder dat de auteur dat op het moment van schrijven kon vermoeden.

Zo iets overkwam me bij het lezen van een artikel van H. Ph. de Kanter in het jaarboek van de Nederlandsche Voetbalbond uit 1907. Daarin stond de schrijver stil bij de vraag hoe voetbal zou kunnen uitgroeien tot een nationale sport, in plaats van de elitaire bezigheid te blijven die het in die tijd nog was. Zijn artikel heeft als opschrift: `Sport tot verhoging van de volksweerbaarheid'. In het artikel gaf hij aan dat het leger een belangrijke rol zou moeten vervullen bij de ontwikkeling van de voetbalsport tot volkssport. De dienstplichtigen kwamen immers uit alle hoeken en gaten van het land. Zijn idee was duidelijk: `Ik stel mij voor een zelfstandige vereniging in ieder garnizoen, gesteund door de chefs om spel en organisatie te leren aan telkens weer nieuwe lichtingen. Komen zij thuis dan zal één van de tien – één op de honderd man misschien – voldoende van beiden in zich hebben opgenomen om in eigen kring als leermeester en leider op te treden; het spel móet langs dezen weg een volksspel worden; en over tien, twintig jaar móet blijken, dat we door voetbal een minder tuchteloos, een tot handelen gereder Nederlands volk hebben gekweekt'.

Tien jaar later kreeg De Kanter gelijk,hoewel hij in 1907 nog niet kon weten dat de Eerste Wereldoorlog daarvoor verantwoordelijk zou worden. Toen deze oorlog was uitgebroken, riep de Nederlandse legerleiding de dienstplichtige mannen op om bij een eventuele inval het land te verdedigen. Die inval bleef uit en om te voorkomen dat de verveling onder de soldaten zou toeslaan, werd onder andere de voetbalsport geïntroduceerd. En inderdaad: toen de opgeroepen mannen weer thuiskwamen bleek één van de tien – één op de honderd man misschien – voldoende van de sport te hebben opgestoken.

Of het Nederlandse volk daardoor inderdaad minder tuchteloos is geworden en sneller tot handelen geneigd, is de vraag. Maar de vooruitziende blik is opmerkelijk.

In 1955 schreef C. Miermans het boek `Voetbal in Nederland' over de maatschappelijke en sportieve aspecten van de sport, met daarin onder meer cijfers over de sociale achtergrond van Nederlandse internationals tussen 1894 en 1929. Tot 1905 bleek slechts één procent uit een volksmilieu te komen, tegen 53 procent in de jaren twintig. De hoogste milieus waren toen op hun retour: van 96 procent eind negentiende eeuw tot 23 procent in 1929. Nog een bewijs hoezeer De Kanter gelijk heeft gekregen.