Spel dat geen spel meer is

Al jarenlang prijkt op de achterkant van Monika Sauwers boeken hetzelfde minuscule portretje van de schrijfster. Op dat fotootje blikt een tamelijk stuurs kijkende vrouw onwillig in de lens. Kennelijk is Sauwer – pseudoniem van Yolanda Nusselder (1946) – iemand die zichzelf niet graag op de voorgrond plaatst. Vermoedelijk gaat zij ervan uit dat haar romans, kinderboeken en verhalenbundels, inmiddels twaalf in getal, maar voor zichzelf moeten spreken. Ze heeft gelijk, zo hoort het natuurlijk ook, maar in zekere zin is het ook jammer dat ze zo weinig aan de weg timmert. Het werk van iemand die literatuur weet te maken van een erotische fantasie over de vleeskolos Helmut Kohl, zoals ze in haar voorlaatste roman Onrustige slapers presteerde, die humor en passie paart aan een beeldende fantasie en een mooie lichtvoetige stijl, verdient meer aandacht dan ze tot nu toe heeft gekregen.

Bewonderenswaardig aan Sauwers manier van schrijven is dat ze het onbenulligste voorval in een bizarre fantasie of een gecompliceerd gedachtespel kan laten uitmonden. Haar hoofdpersonen zijn altijd intelligente, gevoelige vrouwen die beschikken over een benijdenswaardige naïviteit: ze gedragen zich alsof ze de wereld en zichzelf iedere dag opnieuw uitvinden.

In Nemo, haar nieuwste roman, krijgt de 51-jarige journaliste Sabine Koetsier een virtuele aanbidder. Kort nadat ze zich door een beeldige uit Iran afkomstige filosoof heeft laten verleiden en haar man uit boosheid daarover de echtelijke woning heeft verlaten, begint ze opwindende e-mail te ontvangen van een zich Nemo noemende persoon, die zich voordoet als oudere man. Opwindend is de elektronische post niet zozeer wegens de erotische lading (Nemo wil `geen porno' en ook geen `rechttoe-rechtaan-seks'), maar wegens de poëtische taal waarin de brieven zijn vervat. Op grond van zijn anoniemiteit durft de virtuele aanbidder zich in woorden van alles te permitteren waar een bij naam en toenaam bekende correspondent voor zou terugdeinzen. Hij schmiert er lustig op los en bereikt al na het eerste mailtje zijn doel, namelijk dat Sabine terugschrijft.

Aanvankelijk houdt de vraag wie er achter de geheimzinnige woordkunstenaar schuilgaat en wat hem (als het al een man is) drijft, Sabine en de lezer het meest van alles bezig, maar gaandeweg verschuift de aandacht naar de motieven van Sabine om aan het spel mee te doen. Zij blijkt de e-mailvriend te beschouwen als iemand om haar hart bij uit te storten. Bovendien heeft ze behoefte aan een vertrouwensman en belangrijker nog, aan iemand om te behagen. Als Nemo haar niet had gemaild zou ze ongetwijfeld zelf zo iemand verzonnen hebben. `Maar dialogue interieur verveelt gauw. Gedachten zijn als honden, ze willen uitgelaten worden en andere ontmoeten.'

Sabine blijft dus antwoorden, maand in maand uit, al was het maar omdat ze denkt dat ze niets te verliezen heeft. Dat is natuurlijk naïef. Stel dat Nemo haar eigen man is, of een collega, een kennis, een vriend of vijand: ze doet confidenties over zichzelf en anderen, vertelt intieme details over haar huwelijksleven, geeft haar geheime fantasieën prijs en doet pijnlijke ontboezemingen over haar jeugd. Misschien – de lezer kan dat niet controleren – fantaseert ze zichzelf en haar levensverhaal wel bij elkaar, waar op zich niets tegen is, maar wat wel gênant zou zijn als de virtuele biechtvader een bekende is. Sabine moet toch ook doorhebben dat zij zichzelf veel meer blootgeeft dan haar poëtische correspondentievriend.

Het procédé van deze roman verschilt in wezen niet van die van de klassieke brievenroman, waarin de kunst van de auteur eruit moet bestaan dat de scribenten zich van elkaar onderscheiden door hun eigen stijl, toon en vocabulaire. Die kunst verstaat Sauwer goed. Nemo en Sabine ontpoppen zich als volstrekt verschillende epistolaire talenten die als het ware zijn geschapen voor het e-mailtijdperk en zich nu, ieder op eigen wijze, onbelemmerd en ongegeneerd in taal kunnen uitleven.

Niet alleen Nemo permitteert zich meer dan een doorsnee briefschrijver, dat geldt ook voor Sabine. `Aan een ouder iemand die ik lijfelijk kende zou ik zo'n onzinnige metafoor niet durven schrijven, maar tegen u wil ik me vrij kunnen uiten. Anders heeft deze correspondentie geen zin', laat ze hem al in haar eerste mailtje weten.

De mogelijkheid die elektronische post biedt tot anonimiteit, en daarmee tot het aannemen van gefantaseerde identiteit, is het Leitmotiv van deze roman. Voor het overige komen alle bekende Sauwer-thema's aan bod: licht ontvlambare vrouwelijke seksualiteit, een fascinatie voor vaderlijke oudere mannen, aandoenlijke onbevangenheid, aanschouwelijk beschreven fobieën, een stijve Gooise jeugd en een tomeloze fantasie.

Nemo weet wie Sabine is. Hij kan haar bespieden op straat en haar daar gedetailleerd over schrijven, terwijl zij er met geen mogelijkheid achter kan komen aan wie ze haar confidenties stuurt. Die toestand blijkt, hoe opwindend ook, niet vol te houden. Nemo bestaat niet, beseft ze maar al te goed. Als ze haar computer bij de vuilnisbak zet, is hij verdwenen. Intussen begrijpt ze niet dat dit probleem onoplosbaar is: mocht Nemo zich ooit bekend maken dan is hij evengoed als virtueel wezen uit haar leven verdwenen. Wat dat betreft doet hij niet onder voor Reinier, het fantasievriendje dat ze als kleuter koesterde, van wie ze alles wist maar die ze desondanks niet tot leven kon wekken. Toen ze Reinier moest opgeven omdat haar moeder hem ontmaskerde als een kolom lucht, bleef ze naar hem verlangen tot ze eindelijk een bestaand vriendje kreeg. Eentje die schopte, krabde en kneep, maar die tenminste echt was en haar daardoor het gevoel gaf dat zij ook echt was. Nu, als volwassen vrouw, prefereert ze uiteindelijk ook vlees en bloed boven lucht, werkelijkheid boven fictie. Lijfelijkheid wil ze, warmte, nabijheid. `Voor mijn part valt het allemaal tegen, doet het pijn, als het maar bestaat. Als ik maar weer besta.'

In een laatste, wanhopig, mailtje stelt ze de steeds hitsiger wordende Nemo een ultimatum: hij moet zich bekendmaken of ze verbreekt de relatie. Er volgt een afspraak in de eersteklasserestauratie van het Amsterdamse Centraal Station – zoals mensen doen die elkaar op basis van een huwelijksadvertentie willen ontmoeten – en bij die gelegenheid stort Sabines wereld in, zowel de echte als de virtuele. Want ja, ze blijkt Nemo te kennen, erg goed zelfs en is diep geschokt door wat deze grappenmaker haar heeft aangedaan. `Stiekeme leugenaar. Je hebt me op afstand uit zitten horen. En zitten beloeren...' Als `Nemo' daar tegenin brengt dat zij het spel zelf heeft meegespeeld, komt het hoge woord eruit: `Het was voor mij geen spel. Voor mij niet. Het was bloedige ernst.' Huilend vlucht ze weg van de lijfelijkheid waar ze zo naar had verlangd, zet haar computer aan en tikt tegen beter weten in `Lieve Nemo'.

Een spel dat geen spel is, kan niet uit zijn. Wat Sabine doormaakt is inderdaad van een bloedige ernst: verdriet om het verlies van iemand die nooit heeft bestaan. Iets ergers is bijna niet voorstelbaar. Maar de kracht van Sauwer is nu juist, of ze het nou over seks met Helmut Kohl heeft of over de virtuele dood van een virtuele minnaar, dat ze het ondenkbare denkbaar maakt.

Monika Sauwer: Nemo. Contact, 125 blz. ƒ32,90