Scheepsnieuwbouw onder druk

Uitblijven van een nieuwe fiscaal vriendelijke constructie voor scheepsnieuwbouw zet de activiteiten in deze sector onder druk. Dat zegt de Vereniging Nederlandse Scheepsbouw Industrie (VNSI).

De Nederlandse zeescheepsbouw heeft nu een orderportefeuille ter waarde van 3,5 miljard gulden. Daarvan zijn bouwopdrachten ter grootte van 500 miljoen gulden verkregen via zogeheten commanditaire vennootschappen (cv's), een belastingsconstructie die beleggers in onder meer zeeschepen aanzienlijke financiële voordelen biedt.

Als gevolg van het nieuwe belastingstelsel dat per 1 januari van kracht wordt dreigt de aantrekkelijkheid van die regeling te vervallen. Vooral de verscherping van de voorwaarden voor de zogenoemde stakingswinstvrijstelling heeft negatieve effecten op het rendement van beleggers.

Vooral de scheepswerven in noord-Nederland, gespecialiseerd in de bouw van kleine zeeschepen, betreuren dat. Ze zien reikhalzend uit naar een nieuwe fiscale regeling die een stimulans kan zijn voor hun orderbestand.

Staatssecretaris Bos van Financiën heeft daarom voor volgend jaar een overgangsregeling ingesteld, die de huidige, aantrekkelijke situatie handhaaft. Voor 2002 staan wel grote wijzigingen op het programma. De fiscale aftrekbaarheid van investeringen in film- of scheepvaart-cv's zal dan definitief worden aanpast. Gedacht wordt aan een directere steun aan de beide sectoren, via subsidies of publiek-private samenwerking.

Het ministerie van Verkeer & Waterstaat moet de overgangsregeling voor 2001 nog aanmelden bij de Europese Commissie. Het probleem daarbij is dat Brussel de regeling voor de scheepvaart met argusogen volgt, omdat die neigt naar staatssteun. Zolang potentiële investeerders geen zekerheid hebben over de regeling en over de aanvaardbaarheid ervan, houden ze de hand op de knip.

Met name de scheepsbouw in het noorden van Nederland dreigt nu in problemen te komen. Een aantal werven heeft een voorschot genomen op de toekomst door schepen `op voorraad te zetten' in de veronderstelling dat financiering van de bouw via een commanditaire vennootschap wel rond zal komen. De VNSI schat dat de terughoudendheid van investeerders de noordelijke werven zo'n 250 miljoen gulden aan orders kost.

De Nederlandse scheepsbouwers zeggen het liefst alle subsidie voor hun branche afgeschaft te willen zien, als dat ook in het buitenland gebeurt. Duitsland en een aantal Zuid-Europese landen subsidiëren hun scheepsbouw actief. Zij moeten opboksen tegen landen als China, Japan en Zuid-Korea, waar de werven tot 40 procent onder de kostprijs kunnen werken omdat de lokale overheden vrijwel ongelimiteerd geld steken in de scheepsbouw.

In de categorie grote zeeschepen, waarvan er jaarlijks vijf- tot zevenhonderd worden gebouwd, is 60 procent van de orders afkomstig van Europese reders. Zij laten deze schepen vrijwel zonder uitzondering bouwen in het Verre Oosten in verband met de lage prijs. De Nederlandse scheepsbouw speelt in het segment van de grote zeeschepen geen enkele rol meer, maar kan op andere markten het hoofd volgens de VNSI redelijk goed boven water houden. Behalve op kleine zeeschepen en (motor)jachten richten Nederlandse werven zich op nichemarkten voor baggerschepen en offshoremateriaal.

VNSI-voorzitter M. Busker: ,,Uit zeer recente informatie blijkt dat onze werven waar het de bouw van gecompliceerde schepen betreft niet alleen Japan aankunnen, maar zelfs Korea. Mits er niet te veel subsidiekunstgrepen worden uitgehaald.''