Onzichtbaarheid als deugd

Plaats van handeling: Bath, Engeland. Bij de Ebenezer Chapel aldaar. Het is winter, 1936. Ene Jimmy, achternaam Raine, achttien jaar oud, schilder van beroep, heeft opdracht gekregen de bijbelopschriften op de kerk opnieuw wit te verven. Het is een alledaags tafereel; niemand kijkt naar hem om. Terwijl hij aldus `het Woord/ van God opfrist/ (de letter, niet de geest)' maakt in hetzelfde Bath iemand anders zich op voor zijn dagelijkse winterwandeling. Het is ene `Haile Selassie de Eerste,/ voorheen Ras Tafari Makonnen,/ achterneef van Menelik de Tweede,/ honderdelfde afstammeling van Salomon/ en van Sheba, nu Negus,/ ja, Negusa Nagast,/ uitverkorene van God, ja,/ strijdende Leeuw van Juda/ en ook, voor het plaatselijk publiek,/ een ``kleine, gekleurde man'',/ smetteloos met bolhoed, / donker pak en cape.'

De keizer is door de gebeurtenissen in Abessinië uitgeweken naar Engeland. We kunnen hem volgen op zijn wandeling en krijgen zo en passant een beeld van Bath en ommelanden. Intussen gaat er van alles in zijn hoofd om, en ook dat kunnen we volgen: herinneringen aan de vlucht uit Abessinië, gedachten over de oorlog, zorgen om zijn familie, zodat deze wandeling door een winters Engeland meteen ook een tocht door de hete Ethiopische woestijn wordt. De wandeling eindigt zoals elke dag bij de Ebenezer Chapel, waar op dat moment onze Jimmy rustig zijn kwast laat gaan over de letters van `Ye must be born again'. De gevluchte keizer lijkt hem daarbij lang en aandachtig gade te slaan, maar met zijn gedachten is hij ergens anders: bij de kerken van Lalibala, bij Addis en Djibouti, bij tej, massobs en injera en bij de plunderingen van Azebu Galla.

Familiealbum

Het is een mooie, droevige, vergeefse scène, deze toevallige zwijgende ontmoeting tussen een wereldberoemde keizer en een gewone schilder, zomaar ergens op een doordeweekse winterdag in Bath in 1936. Het is een van de 87 scènes die te vinden zijn in History: The Home Movie van de Engelse dichter Craig Raine. Een dik boek, van epos-omvang, verschenen in 1994 en dit jaar in het Nederlands vertaald door J. Eijkelboom, onder de nog niet zo lekkere titel Geschiedenis: de amateurfilm. Al die scènes, die zich stuk voor stuk over heel wat bladzijden uitstrekken, hebben het karakter van een korte film of filmfragment. Vandaar: `Movie'. In elk fragment komt meer of minder terloops een familielid van de dichter voor: zijn opa, zijn schoonvader, het dochtertje van de zoon van de broer van zijn schoonmoeder of, zoals in het geval van Haile Selassie in Bath, zijn oom Jimmy. Het boek heeft daardoor ook het karakter van een familiealbum, of een dia-avond in besloten kring. Vandaar: `Home'. In alle scènes dient zich meer of minder willekeurig een episode uit de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw aan. Zoals in Bath, in 1936, waar in de persoon van Haile Selassie een heel continent en een hele oorlog het gedicht komen binnenwandelen. Vandaar: `History'.

Een uitputtende geschiedschrijving is deze Geschiedenis niet geworden. Het is eerder een serie momentopnamen, puncties uit een eeuw, telkens opgehangen aan een jaar en een plaats en een gebeurtenis, in chronologische volgorde, te beginnen in 1905 en eindigend in 1984, met de nadruk op de zware jaren tussen 1915 en 1950. Bij de Engelse geschiedenis heeft zich ook heel wat Russische geschiedenis gevoegd, want Raine is getrouwd met een Russische, die toevallig ook nog eens een volle nicht was van Boris Pasternak. Een groot deel van dit boek speelt zich dus op Russische bodem af en (omdat enkele Pasternaks zich gedwongen zagen te vluchten voor revolutie, Stalin en/of Hitler) ook elders op het Europese vasteland. Tussen de bedrijven door krijgen we de nodige inkijkjes in het privé-leven van Boris Pasternak en ook in dat van collega's als Tsvetajeva, Achmatova, Tsjoekovskaja en de weduwe Mandelstam. Dat klinkt leuk en literair-historisch interessant en dat is het ook, maar niet alleen. Ook deze dichterlevens werden getekend door de gruwelen van vervolging, marteling, oorlog, waanzin, honger, angst, ziekte en geweld. Wie het nog niet wist of alweer vergeten was, kan het hier nog weer eens nalezen: de twintigste eeuw was geen vredige eeuw.

Geschiedenis is geen geschiedenisboek, al roept het heel wat historie in herinnering. Een encyclopedie is het ook niet, al bevat het twee familiestambomen, de nodige jaartallen, heel wat historische plaatsen en gebeurtenissen en andere encyclopedische kennis, uit familie-overlevering dan wel onderzoek verkregen. Een roman is het ook niet echt – daarvoor zijn er te veel verschillende figuren, maar het leest in onderdelen wel degelijk weg als een spannend boek. Een epos is het ook wel eens genoemd, maar daarvoor is het geheel te fragmentarisch. En is het eigenlijk wel poëzie? Jawel, maar niet door eindrijm of door zangerigheid – eerder door de vervreemdende, compacte en gewrochte, aandacht voor zichzelf vragende zegging.

Dierentuin

Van alles wat dus, maar toch is het geheel veel meer dan de som van de halfslachtige delen. Het overrompelende van dit wonderlijke mengding schuilt denk ik vooral in de verrassende blik van de dichter en in zijn ongebruikelijke perspectieven. Haile Selassie wordt niet in Ethiopië geportretteerd en niet als vorst, maar als een kleine onopvallende man in Bath.Niet terwijl hij achter zijn ballingschapsbureau zijn zaken zit te regelen, maar tijdens zijn wandeling. En die wandeling maakt hij weer niet om over politiek na te denken, maar omdat hij eenvoudigweg last van zijn darmen heeft – en daar schijnt een stevige wandeling goed voor te zijn. En tegenover dit ontluisterende keizerperspectief staat dan de onbevangen blik van de onbeduidende schilder Jimmy. Door dit soort slimme manoeuvres van de dichter wordt de aandacht van de lezer getrokken en vastgehouden. Hij sleept ons als het ware de set op, om ons te laten meekijken, nu weer eens door de ogen van de een, dan weer door die van een ander. We zien `hoe de kwak wit/ van Jimmys kwast springt'. En welke letters schildert hij daar precies over? `Gij moet weder geboren worden.' En zou Haile Selassie, terwijl wij met hem meelezen, zich van de symboliek van dat opschrift bewust zijn?

Raine slaagt erin ons op zijn historische plekken te laten rondlopen. Dat doet hij niet met een vloeiende of vervoerende stijl, maar juist door precisie, hoekige overgangen, aandacht voor de allerkleinste details – en door zijn verbluffende beeldspraak. In de Berlijnse dierentuin doet `een gespierde hagedis zijn opdrukoefeningen'. Even verderop `showt de luipaard met het lage chassis zijn dure mantel'. Het boek opent met deze moeilijke regels: `Pince-nez als de letter g,/ zit Rosa rechtop/ aan de staande piano'. Het duurde even voordat ik tussen dat zitten en staan zag dat de rechtopstaande drukletter `g' in liggende houding inderdaad de vorm van een pince-nez heeft. Ingewikkeld begin van een epos – maar het zijn juist deze lastige, de aandacht opeisende en de voortgang stokkende, steeds verrassende beelden die van deze Geschiedenis zo'n geweldig boek maken.

Geheime wens

De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat er op de compositie het een en ander aan te merken valt. De keuze van situaties en gebeurtenissen is tamelijk willekeurig. Er zit geen begin en geen einde aan, en er zitten heel wat gaten in de chronologie. Er is geen opzet, geen afronding, geen conclusie, en zo te zien ook geen enkel persoonlijk belang. De dichter blijft van begin tot eind (in de allerlaatste scène duikt hij voor het eerst op, in de derde persoon enkelvoud) een bijna onzichtbare waarnemer. Dat zou wel eens Raine's geheime wens kunnen zijn: zichzelf weg te schrijven achter de coulissen van de geschiedenis.

Ik zou voor deze afstandelijke houding niet zo veel sympathie hebben gehad als ik niet net Raines jongste bundel had gelezen: A la recherche du temps perdu. Het is één lang gedicht, van 42 bladzijden, waarin hij een onlangs aan aids overleden vriendin herdenkt. De titel is de titel van haar lievelingsboek, vandaar. In fragmenten trekt haar leven voorbij, voorzover Raine er althans deel van heeft uitgemaakt. De aanleiding is natuurlijk droevig, en Raine doet erg zijn best om hard en stoer te klinken, met veel details over haar `big tits' (formaat meloenen), haar talent `to fart' met haar `cunt', leuke seks op de camping in Straatsburg, maar het blijft allemaal tamelijk geforceerd, gênant en larmoyant, met rijmende overlijdensclichés als `I can't accept you're dead/ You're still here, in my head'.

Bij het lezen van dit in memoriam dacht ik al snel: waarom zou ik dit eigenlijk moeten weten? Het is een voor elk boek funeste vraag. Vreemd genoeg kwam dezelfde vraag geen enkele keer bij me op bij het lezen van de duizenden versregels uit Geschiedenis, waarvan de persoonlijke aanleiding nu juist veel duisterder was. Curieus. Blijkbaar is Raine op zijn best als zijn zicht niet door tranen belemmerd is. Hij is de dichter van het heldere, scherpe, onaangedane oog. Het oog dat, in Geschiedenis, een vlieg ziet op een trampoline, en wel de trampoline van dokter Spin, die zo aardig is om meteen het vliegje te komen helpen. Het oog dat in een schijnwerper op een podium `een reageerbuis van licht' ziet. Lammetjes die dansen op hun `vuile pijpenragerspootjes'. Een ouderwetse telefoonhoorn die aan zijn draad naar beneden hangt `als de arm van een aap'. Het oog dat een Siamese kat ziet `met zijn geoliede zwarte oren/ als de topjes van Brussels lof dat in de/ walnotenolie is blijven liggen'.

Craig Raine: Geschiedenis: de amateurfilm. Vertaald door

J. Eijkelboom. Tweetalige editie.

De Arbeiderspers, 348 blz. ƒ69,90

Craig Raine: A la recherche du temps perdu. A Poem.

Picador, 42 blz. ƒ38,65

Craig Raine: In Defence of T.S. Eliot. Literary Essays.

Picador, 516 blz. ƒ87,95