`Muziek buigt de begeerten'

In zijn montere `Derde symfonie' ontsteeg

de componist Willem Pijper het predikaat `Gershwin op klompen'. De `Derde symfonie' wordt volgende week heruitgevoerd.

Pijpen betekent van oorsprong muziek maken. Zo was de vader van Bach de stadspijper van Eisenach, een soort ambtenaar belast met de lokale muziekbeoefening. De zogenaamde pijpermelodieën, schelle piccolootjes bij een vlootschouw van de marine, leggen de link met de nobele kunst van het fluitspel. Het is dan ook waarschijnlijk dat zich onder de voorvaderen van componist Willem Pijper (1894-1947) muzikanten bevonden. Maar in het ouderlijk huis te Zeist, waar zijn ouders een behangzaak annex stoffeerderij dreven, bevond zich slechts een wat gammel harmonium. Op `het deerniswaardigste instrument', zoals hij het later noemde, begeleidde zijn vader met amechtig pompende akkoorden het gezin bij het psalmgezang.

Op 23 en 24 november speelt het Concertgebouworkest, onder leiding van Bernard Haitink, de Derde symfonie van Willem Pijper. En dat is niet de eerste keer, sinds het stuk in 1926 bij hetzelfde orkest zijn première beleefde onder Pierre Monteux. Deze dirigent, die eveneens de roemruchte eerste uitvoering van Stravinsky's Le sacre du printemps voor zijn rekening nam, maakte van Pijpers Derde symfonie zijn lijfwerk en voerde het met talloze orkesten over de gehele wereld uit. Het stuk, dat ruim een kwartier duurt en uit vijf in elkaar overgaande delen bestaat, draagt als motto: ,,Als ik de goden niet kan vermurwen, zal ik de onderwereld oproepen'', naar het zevende boek van de Aeneis van Vergilius. Of misschien ontleende Pijper het motto wel aan Freuds Traumdeutung, waar het eveneens de aanhef vormt.

In de jaren dertig van de vorige eeuw was autorijden, evenals kunst, nog een elitaire aangelegenheid. Op een foto uit 1935, genomen op de Col du Lantaret bij Grenoble, staat Willem Pijper met opgerolde hemdsmouwen geleund tegen zijn glanzende automobiel. Met een elleboog op het portier steunend, een sjaaltje om de nek geknoopt, een flegmatieke snor en een sigaret losjes in de mondhoeken, oogt hij als de archetypische bonvivant. Hij is hier letterlijk mijlenver verwijderd van het harmonium in Zeist. Als Pijper in die dagen door een politieagent werd aangehouden wegens te snel rijden, liet hij het knoopje van de ridderorde op zijn revers zien en keek ondertussen zwijgzaam een andere kant uit.

Hij was inmiddels directeur geworden van het in 1930 opgerichte Rotterdams Conservatorium, had een succesvolle carrière als componist, dirigent, pianist, docent en publicist achter zich en was de mede-oprichter van de Nederlandse afdeling van de International Society for Contemporary Music. Bij het bombardement op Rotterdam in 1940 verloor hij al zijn bezittingen, behalve zijn composities, die hij bewaarde in een kluis. Ook zijn bulldog Sue kwam om in de vlammenzee aan de Schiekade.

Zijn gezondheid was zijn gehele leven een probleem. Op latere leeftijd belette zijn zwakke gestel hem om Merlijn te voltooien, zijn symfonisch drama op een libretto van vriend en geestverwant Simon Vestdijk. Als kind was hij al astmatisch en kreeg daarom tot zijn veertiende thuis les. Hij was enig kind en mensenschuw, maar deze schuchterheid verdween toen zijn muzikale talenten zich begonnen te openbaren. Op 17-jarige leeftijd brak hij zijn gymnasiumopleiding af en meldde zich aan bij de Utrechtse Toonkunst Muziekschool, waar Johan Wagenaar (1862-1941) zijn voornaamste compositiedocent werd. In 1915 baarde Pijper voor het eerst opzien als componist en pianist door zijn Concertstuk met piano, vol Tsjaikofskiaans octavenwerk en Liszt-achtige bravoure.

Hautain

Bij uitvoeringen van Pijpers Derde symfonie in het Concertgebouw in de jaren dertig, verspreidde zich voordat het stuk tot klinken werd gebracht gewoonlijk een merkbare wrevel onder het publiek. Men voelde zich afgepoeierd door de pagina's lange technisch-zakelijke, bijna hautaine toon waarop Pijper zijn werk had toegelicht in het programmaboekje. ,,Na den tweeden climax volgt een nieuw quasi adagio. Dit is een uitbreiding van het melodische complex 2, voor de solo-blazers, doch ditmaal iets uitvoeriger dan de 34 maten expositie, die naar den eersten climax leidden.'' Het lijkt de gebruiksaanwijzing voor een buitenissig soort vibrator. Maar de scepsis bij het publiek maakte plaats voor aangename verrassing, zodra de montere ritmische figuren, soepele basjes en vitaal door de registers schietende strijkersmelodieën door Monteux in gang werden gezet. Men liet zich in vervoering brengen door de vele lyrische passages in het werk en de heftige, extatische gedeeltes, die King Kong lijken uit te nodigen om het Empire State Building te gaan beklimmen. Welbeschouwd was deze aanpak van Pijper niet eens zo slecht bekeken. Beter een gortdroge programmatoelichting en een zinnenprikkelend stuk, dan vice versa. Maar al te vaak worden je als luisteraar `exuberante klankopstapelingen' en `iridiserende timbre-nuances' voorgespiegeld, terwijl het toestel na een minuut of tien nog altijd aan de grond staat. Vergeefs wacht je op het teken van de luchtverkeersleiding om op te kunnen stijgen. Je probeert je in geeuwerige lamlendigheid te concentreren op de nekhaartjes van de meneer op de rij voor je, of bladert wat in de documentatie, op zoek naar de geboorteplaats van de fluitist.

De programmatoelichting is min of meer gelijktijdig ontstaan met de opkomst van het burgerlijke concert, in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Hector Berlioz voelde de behoefte om zijn Symphonie fantastique (1828) nader toe te lichten aan het publiek. Nadat de programmatoelichting algemeen in zwang was geraakt, begon hij in lengte steeds meer uit te dijen. Er werden notenvoorbeelden toegevoegd en beschouwingen over thematische verwantschappen. De toelichting die Alban Berg schreef voor Schönbergs Gurrelieder (1911) is vermaard om zijn grondigheid. Opgemerkt dient te worden dat het publiek voor een groot deel bestond uit abonnementhouders, die de lijvige verhandelingen thuis opgestuurd kregen voor het concert. Meer recentelijk heeft de programmatoelichting aan gemiddelde omvang ingeboet, alsof men bedeesd is geraakt de toehoorder al te zeer te verontrusten. De vraag is natuurlijk of programmatoelichtingen noodzakelijk zijn. Goede muziek kan absoluut zonder, je verveelt je immers geen moment.

Zielsziek

,,Zielsziek en pervers, maar met een grote begaafdheid, misschien zelfs met een geniale ader.'' Zo werd Willem Pijper gekarakteriseerd door componist en dirigent Jan van Gilse (1881-1944). Met hem raakte Pijper, toen werkzaam als recensent voor het Utrechtsch Dagblad, verwikkeld in de zogeheten Utrechtse Muziekoorlog, die duurde van 1917 tot 1922. Inzet van het conflict was een geschil tussen Sociëteit Tivoli, waarvan Pijper artistiek adviseur was, en het Utrechtsch Stedelijk Orchest, dat door Van Gilse uit het provinciale slop was gehaald en streefde naar een grotere mate van zelfstandigheid als kunstinstelling. Aanvankelijk gingen ze amicaal met elkaar om, Van Gilse voerde enige malen werk van Pijper uit met het USO, tot diens tevredenheid. Maar na onenigheid over de financiële exploitatie van de concertzaal Tivoli, startte Pijper een onverkwikkelijke campagne in het Utrechts Dagblad. ,,Wederom een avond van zachtzinnige middelmatigheden en zonderlinge stijlwisselingen. De heer Van Gilse heeft zijn gebaar voor deze subtiele muziek niet mee.'' In steeds fellere bewoordingen laakte hij vrijwel dagelijks Van Gilse's capaciteiten als dirigent. En bovendien was diens programmakeuze te Duits georiënteerd, wat toen al fout was.

Wie de bronnen erop naslaat, komt echter tot een genuanceerder beeld van Van Gilse's activiteiten. Het regende dan ook opzeggingen bij de krant, maar de hoofdredacteur Dr. P.H. Ritter Jr. stond pal aan Pijpers zijde. Hij vond het zelfs wel chic om zijn recensent naar concerten te vergezellen, of zoals hij het zelf zag: ,,schouder aan schouder met hem te staan in de strijd voor de zuivering van het Utrechtse muziekleven.'' Ingezonden brieven met een anderszinnige mening werden niet geplaatst, ,,een krant is geen plaats voor anti-kritiek''.

Nu moet gezegd worden dat de muziekkritiek in die tijd in het geheel veel heftiger en polemischer van toon was. Zo kwalificeerde componist en recensent Matthijs Vermeulen (1888-1967) in een artikel in De Amsterdammer uit 1912 Brahms, Schönberg, Scriabin en Reger als `jammerlijke dilettanten'. Een bemiddelingspoging van oud-leraar Johan Wagenaar mocht ook niet baten. Jan van Gilse in zijn memoires: ,,Pijper bleef zwijgen, had voor alles wat ik zeide slechts het weerwoord `absurd'. (Hij stootte de `s' lichtelijk met den tong aan).'' De onophoudelijke stroom kritiek begon op Van Gilse een steeds verlammender werking te hebben. ,,Pijper sloop altijd stil binnen boven op zijn galerijplaats en verdween even stil; op een cyclus-avond week hij van die gewoonte plotseling af, hij stond in het raam boven het orkest en zag onafgewend naar mij, alsof hij mij wilde biologeren. Ik ontdekte dat, toen ik met een wending naar de eerste violen opkeek en hem onverwacht in het gezicht zag. Ik moet erkennen, één ondeelbaar ogenblik was ik verward, doch ik zag, dat hij op datzelfde ogenblik in het donker terugsprong.'' Van Gilse probeerde het USO-bestuur ertoe te bewegen om Pijper de toegang tot de concerten te laten ontzeggen. Toen dit niet mogelijk bleek, nam hij ontslag.

Lyrisch

De criticus en muziekessayist Willem Pijper hanteerde overigens niet alleen de botte bijl, maar beschikte ook over een trefzekere, lyrische pen. Zoals in zijn opstellen over muziek, gebundeld in De Quintencirkel (1928): ,,De muziek is een wonderlijke macht. Men kan haar onderwerpen aan een zot of verwerpelijk ideaal, maar haar wezen blijft onberoerd. Men kan haar tot koopwaar verlagen en zij blijft subliem. De muziek vormt de verlangens en buigt de begeerten; wie haar aanhoort wordt een ander mensch, ongemerkt en dikwijls tegen anders willen in.''

In de eerste helft van de vorige eeuw werd Willem Pijper gezien als de belangrijkste figuur van het Nederlandse muziekleven, waarvan verder ondermeer componisten als Cornelis Dopper en Gerard von Brucken Fock, de `Nederlandse Chopin', deel uitmaakten. Pijper was de man die het ingedommelde en versufte Nederlandse muziekklimaat een schop onder zijn reet had verkocht en nieuw leven ingeblazen, zo luidde de communis opinio, al had zijn queeste hem daarbij niet louter vrienden opgeleverd.

Maar de bijna geforceerde bitsheid en agressiviteit van veel van zijn muziek en de daarin verwerkte `actuele' invloeden als tango- en cakewalk-ritmen waarmee hij zijn bedaagde tijdgenoten shockeerde, verloren hun impact op nieuwe generaties. ,,Uiteindelijk is zijn muziek toch een treurig samenraapsel van bitonaliteit, mengklanken en habaneraritmes'', zo vatte componist Tristan Keuris het bondig samen bij een herdenkingsconcert ter gelegenheid van Pijpers honderdste geboortedag. Ironisch genoeg werd Pijper het voornaamste slachtoffer van de Notenkrakers. ,,Spoedig'', voorspelde Reinbert de Leeuw eind jaren zestig, ,,zal Pijper worden opgenomen in de illustere rij van zijn vergeten voorgangers en tijdgenoten.''

Men nam hem kwalijk dat hij juist niet vooruitstrevend genoeg had gecomponeerd. Hij had nimmer de consequenties uit de werken van Schönberg en Webern getrokken en werd gezien als de schepper van een uitzichtloos muziekgemiddelde dat door talloze epigonen ijverig was gekopieerd. Misschien kwam het wel doordat Pijper toetrad tot de Orde der Vrijmetselaars, geen revolutionair gezelschap dat het met zijn vernieuwingsdrang uiteindelijk nogal meeviel. Bij een begrafenis of crematie van een Broeder worden nog vaak zijn Zes adagio's gedraaid. Pijper vervaardigde dit werk voor strijkorkest volgens de maçonnieke principes, geïnspireerd door de Leerlingsinwijding en het aanschouwen van de Tempel te Sneek.

Toch is ook juist deze compositie, met zijn geserreerde en gestrenge melancholie, een typisch voorbeeld van een Pijperstuk dat wel geslaagd is en nog altijd weet te overtuigen. Dat geldt evenzeer voor het Pianoconcert (1927) en de Tweede cellosonate (1924). Goed, zijn eerste twee symfonieën leunen wat al te zeer op Mahler en Ravel en de castagnetten klepperen steeds net op de verkeerde momenten, dat wil zeggen: daar waar men ze goed kan horen. Maar de Derde symfonie heeft iets roekeloos, een ongekunstelde oprechtheid en bovenal een ritmische energie, die de muziek naar geleidelijk steeds gewelddadiger wordende uitbarstingen stuwt. Daar ontstijgt hij het predikaat `Gershwin op klompen', dat hem veelal aan is blijven kleven met verve en vallen de dingen op hun plek. Zeer goed op dreef is Pijper bij vlagen ook in het onvoltooid gebleven Merlijn, waarvan zes van de twaalf bedrijven, ongeveer een uur muziek, is gerealiseerd. Hij ontstijgt hier een zekere kortademigheid van vorm, waaraan zijn muziek nog wel eens ten prooi wilde vallen. Maar helaas laat het libretto van Vestdijk het hier en daar nogal afweten. Wat dacht u bijvoorbeeld hiervan?: ,,Als levend hout zal hij 't azuur beschieten! De hinde trippelzweeft in 't woud - Wat vreemd inval! 'k Had U toch ontboden ter reeg'ling van het hem ontsproten zaad.''

Bernard Haitink en het Concertgebouworkest: Pijper `Derde symfonie'; Debussy `La mer'; Stravinsky `De vuurvogel' (compleet). 23 en 24 november, Grote Zaal, 20.15 uur. Reserveren 020-6718345, dagelijks van 10-17 uur

Pijper op Radio 4: 24 dec. 14 uur