Muren eten in het paardenhotel

In de bergen tussen Frankrijk en Spanje zag ik een paard een oud, verlaten kerkje binnenlopen. Ik ben toen met mijn fototoestel gaan zitten wachten, want ik wilde een leuke foto maken van het paard dat het kerkje weer uit kwam. Voor dit witte paard waren er al twee andere naar binnen gegaan. Wat naar binnen gaat, moet toch weer naar buiten komen? En ik maar wachten. Een uur lang. Anderhalf uur lang. Maar niks hoor.

Na twee uur ben ik eens gaan kijken. De kapotte vloer van het kerkje lag vol paardenmest. Ze kwamen hier dus vaker. Een oude kerkbank hadden ze eerst met de konten kaalgeschuurd, en toen omgegooid. Oude muurschilderingen hadden ze opgegeten, want daar zat lekker veel kalk in.

Ze waren er nu niet. De paarden hadden zelf een groot gat in een muur gemaakt. Aan de achterkant, en daardoor waren ze allang weer naar buiten gelopen, de heuvel af. Zonder dat ik ze kon zien.

Geen mooie foto van paard dat wapperende manen uit de kerk komt, dus. Toch had ik niet voor niets zitten wachten. Er was genoeg te zien. Vlak naast het kerkje ligt een helemaal verlaten dorp. Daar lopen de paarden ook vrij rond. Ook daar hebben ze kalk weggegeten, en als ze lekker tegen kale muren staan te schuren, beginnen die al een beetje in te storten. Soms zie je ze peinzend kauwen op een oud stuk gordijn, dat nog aan een kozijn hangt.

Er zijn hier, in de bergen, op de grens van Frankrijk en Spanje, veel verlaten dorpen. De boeren hebben genoeg van het ploeteren op de steile, rotsachtige grond. Die verlaten plaatsjes worden wel spookdorpen genoemd, maar er is niks engs aan. Ze barsten van het leven. Mensen weg? Dieren erin. Wilde dieren, zoals slangen, uilen en vossen. En die paarden natuurlijk. Het is net of alle mensen weg zijn, en er nog alleen dieren zich over hun sporen verbazen. Een slang ligt in de zon op te warmen op de motorkap van een oude auto. In een oud winkeltje wonen nu vogels. En als het warm is, gaan de paarden naar de kerk. Die is lekker koel.

Maar er zijn nog wel mensen. Zelfs deze wilde paarden hebben bazen. Die wonen verderop, beneden in het dal. Aan het eind van de zomer worden de paarden teruggehaald, door een paar ruiters en een man op een crossmotor. Eerst rennen ze, een beetje in paniek, in volle vaart over een stoffig weggetje naar beneden. Dan gaan ze vrachtwagens in, en moeten ze weer naar het dal. Over drukke wegen naar donkere stallen, waarin ze hun kont niet kunnen keren. Misschien denken ze daar nog weleens terug aan de zomer, of verheugen ze zich al op de nieuwe. Ha, lekker van de zomer weer dat kerkje slopen. In verlaten straatjes vergeten kinderfietsjes kapot trappen. De stoep van de oude burgemeesterswoning volpoepen. Ze nemen nog maar eens een saaie hap hooi, en denken aan gordijn.