Mijn zang, mijn lach, mijn zucht

Het `echte' Jordaanlied bestaat niet meer: `de buurt is op sterven na dood'. Maar Johnny Jordaan leeft voort, in een biografie, in zijn navolgers en nu in een televisierie.

Feest op het Johnny Jordaanplein. Uit de luidsprekers galmt een elektronisch uitvergrote driekwartsmaat, en de ene na de andere vocalist pakt de microfoon om in zingen uit te barsten. Het publiek op de klapstoeltjes – grijs of danig geblondeerd – wiegt instemmend mee met: ,,Wat ben je toch veranderd in die jaren, mijn ouwe Amstelstad.' Achter het kleine podium wacht de zanger Henk van Mokum op zijn beurt. Hij mag graag vertellen dat de grote Johnny Jordaan ooit tegen hem zei: ,,Ik heb goud in m'n keel, maar jij zit vlak achter me aan, want jij heb zilver.' Nu tikt hij het walsritme mee op de robuuste, in brons gegoten schouderpartij van Tante Leen wier borstbeeld naast dat van de vereerde Johnny staat. ,,Het is een heel apart stijltje', zegt Van Mokum. ,,Wie over de Jordaan wil zingen, moet z'n eigen er helemaal ingooien.'

Iets terzijde staat Bert Hiddema, auteur van de biografie Johnny Jordaan die hier ten doop wordt gehouden. Vijf jaar geleden schreef hij ook al een werkje over de legendarische zanger, maar dat is nu uitgebreid tot een boek met leeslint. De vraag waar het Jordaan-genre in het tegenwoordige amusementslied is gebleven, brengt hem tot mismoedig hoofdschudden: ,,Je moet een ster hebben – en die is er niet meer. Johnny Jordaan was een ster, maar wie heb je nu nog? Ja, jongens als René Froger of André Hazes, ook Jordanezen. Maar die zingen geen Jordaan-repertoire. Op een gegeven moment is die hele cultuur overgewaaid naar de provincie, daar komt nu het volkse genre vandaan. En je moet je ook afvragen of de Jordaan eigenlijk nog wel bestaat.'

Vanaf zondag zendt de VPRO de driedelige dramaserie Bij ons in de Jordaan uit, die op het recente Nederlands Film Festival in Utrecht werd bekroond met twee Gouden Kalveren: voor het beste tv-drama van het jaar en voor hoofdrolspeler Kees Prins. De serie is volgens de makers `een gedramatiseerde interpretatie' van leven en werken van Johnny Jordaan (1924-1989). Frank Ketelaar en Kees Prins, die het scenario schreven, hebben de gegevens uit Hiddema's biografie vrijmoedig naar hun hand gezet. Zo is in hun verhaal een grote rol toebedeeld aan een fictieve vriend-chauffeur die model staat voor de Jordaan-mentaliteit, en aan Wim Sonneveld, met wie de zanger een doorslaggevende romance zou hebben gehad.

Bij ons in de Jordaan is ook de titel van een bloemlezing die volgend voorjaar wordt gepubliceerd door amusementshistoricus Jacques Klöters. Het gelijknamige meezinglied, rond 1954 geschreven door de routiniers Henk Voogd (Henvo) en Louis Noiret, is misschien wel het ultieme Jordaan-nummer, met zijn beeld van een eeuwig durende polonaise: ,,Bij ons in de Jordaan/ zing je van hela hola hola dijee/ bij ons in de Jordaan/ zie je de jongens en de meiden dansen gaan, hatsjee/ bij ons in de Jordaan/ waar de bloemen voor de ramen staan/ en de Amsterdamse humor nooit verloren gaat/ zo lang de lepel in de brijpot staat!'

Ooms en tantes

Die brijpot, door menigeen beschouwd als een raadselachtig attribuut, verwijst naar het gortachtige kooksel dat in het verre verleden dagelijks voedsel vormde voor veel Jordaan-bewoners. Zo lang er nog iets te eten viel, was het feest. Maar ook in 1954 moet de brijpot al een symbool van lang geleden zijn geweest. Toen het Jordaan-repertoire in de jaren vijftig op het toppunt van zijn nationale roem stond, werd er volgens Klöters al gezongen over een buurt die vooral jeugdsentiment was geworden: ,,Dat verheerlijkte een goeie ouwe tijd waarin alle oudere mensen nog ooms en tantes van je waren, waarin lief en leed gedeeld werd, waarin armoe normaal was en de welvaart alleen maar tot misverstanden en vechtpartijen leidde.' Zie ook, zegt hij, de sleutelzin in het eveneens uit de jaren vijftig daterende lied Geef mij maar Amsterdam: ,,Liever in Mokum zonder poen dan in Parijs met een miljoen.'

De romantisering van de Jordaan, met zijn sentimentele saamhorigheid en zijn hang naar het belcanto van de volksopera`s, moet al zo'n honderd jaar geleden zijn begonnen. Het zou kunnen dat de negentiende-eeuwse croniqueur Justus van Maurik er iets mee te maken had; hij populariseerde de Jordaan in bloemrijke verhalen die niet alleen in boekvorm goed verkochten, maar ook al gauw voor het toneel werden bewerkt. Daarna ging het snel: in de revues verschenen rond de eeuwwisseling de eerste Jordaan-komieken, in 1912 publiceerde Is. Querido zijn warmbloedige zedenschets De Jordaan en in 1917 kwam toneelleider Herman Bouber met Bleeke Bet, levensecht volkstoneel met pakkende liedjes van Louis Davids en Margie Morris.

Eén daarvan bezong niet de intrige, maar het decor: ,,In de Jordaan/ in onze enige Jordaan/ op die ene kleine plek/ zijn de toffe jongens gek/ waar de witte jakken stijf als planken staan/ in de Jordaan/ in onze enige Jordaan/ dat is het enigst hoekje, waar ik dood wil gaan.' Zo kreeg de Jordaan zijn eerste volkslied, en tegelijk het onverwoestbare imago van jofele gozers met het hart op de tong en meiden die in baaien rokken om het draaiorgel dansten.

Voortaan moest er in elke revue, in elk toneelstuk en in elke Nederlandse film een rondborstig lied over Amsterdam worden gezongen: O mooie Westertoren (,,hoog in de blauwe lucht, aan jou wijd ik m'n zangen, mijn zang, mijn lach, mijn zucht'), Als de tros wordt losgesmeten (,,nou tabé dan, ik groet je, mijn mooi Amsterdam'), Amsterdam (,,wie aan jouw boezem werd geboren, wordt van ontroering koud en klam, bij `t woordje Amsterdam') en bij voorkeur over de Jordaan.

Veel van dat vooroorlogse repertoire was nog onverminderd populair, toen Johnny Jordaan in de tweede helft van de jaren vijftig de belichaming van het genre werd. Hij putte er graag uit. Maar hij had ook nieuwe liedjes. Voogd en Noiret schreven niet alleen Bij ons in de Jordaan, maar ook De parel van de Jordaan, de smachtende ode aan de Westertoren waarmee hij in 1955 zegevierde op een talenjacht aan de Rozengracht. En bovendien was hij gezegend met het instinctieve genie van tekstschrijver Pi Vèriss en componist-producer Harry de Groot, die hem hits bezorgden als De zon schijnt voor iedereen en Geef mij maar Amsterdam. Tante Leen, die bij diezelfde talentenjacht de tweede prijs had gewonnen, zong van hun hand Mijn ouwe Amstelstad en Oh Johnny, haar loflied voor Johnny Jordaan.

,,Voordat de eerste Nederlandse hitparade bestaat,' schrijft Bert Hiddema in de biografie, ,,heeft Johnny al een gigantische hit. Hij is geen zanger als Louis Davids, de Rotterdammer die over de Jordaan zong zoals hij dacht dat de buurt was. Johnny is de Jordaan.' En even verderop: ,,Zijn stem sparen is er niet bij en van inzingen of ademhalingstechniek heeft hij geen idee. Hij knalt er meteen in.'

fado

De acteur Rob van de Meeberg, die in 1997 de Johnny Jordaan-rol speelde in de liefdevolle musical Oh Johnny, somt desgevraagd de vereiste ingrediënten op: ,,Het zit voornamelijk in het vibrato. Ik hoorde laatst een vrouw zingen die eigenlijk een fado-stem had, en dat kwam er heel dichtbij. Het is, zeg maar, een Middellandse Zee-vibrato, gecombineerd met dat nasale Jordaan-accent. Je moet de toon door je neus laten komen. Maar het allerbelangrijkste is nog, dat je recht uit je kloten moet zingen. Een tijdje geleden zag ik een jongen met een Jordaan-potpourri, maar die zong alleen de buitenkant. Dat is het niet. Hoe het wel moet, hoor je aan André Hazes. Die mag dan een patser wezen, maar je gelóóft hem als hij zingt. Het komt recht uit het hart.'

Harry Slinger, voormalig voorzanger van de groep Drukwerk en nog steeds actief als gangmaker op feesten en partijen, vult aan: ,,Als je Jordaan-zanger bent, en dat ben ik, moet je met groot gemak contact met het publiek kunnen leggen. Je moet geen schroom hebben, en weinig tot geen kapsones. Dat vind ik ook het verschil tussen André Hazes en René Froger. Hazes is de volksjongen gebleven, terwijl Froger naast zijn schoenen is gaan lopen. Verder moet je gek zijn op opera en operette. Zelf ben ik ook opgegroeid met Benjamino Gigli en Vico Torriani. En de echte goeie Jordaan-zangers zijn allemaal autodidacten.'

Van de Meeberg, die zijn jeugd in Arnhem doorbracht, was er destijds niet op uit Johnny Jordaan te imiteren. Als hij maar geloofwaardig was. Kees Prins, afkomstig uit Heemstede, zegt zelfs dat hij diens Jordaan-accent in de serie heeft afgezwakt. Op een oude video-opname zag hij een interview waarin Johnny Jordaan vertelde dat hij op jeugdige leeftijd in een revuetje een duetje had gezongen als negerjongetje. Dat klonk bij nadering zo: ,,Joa, en je moet reikene... we woare dus helemoal swàrt gemoakt.' Als hij in de serie zo had gesproken, zou iedereen hem als een karikatuur zien. Terwijl het ook bij hem om de geloofwaardigheid ging.

,,In eerste instantie heb ik wel geprobeerd hem te imiteren,' aldus Prins, ,,maar al gauw zei ik tegen mezelf: verdomme, ik krijg 'm niet te pakken. Hij was een briljante zanger met een totaal eigen geluid. Toen dacht ik: stel je voor dat Kees Prins zelf een succesvol Jordaan-zanger zou zijn – hoe zou hij dan klinken? Het belangrijkste is die teksten geloofwaardig te zingen, totaal zonder ironie. Het is recht voor z'n raap en direct emotioneel. Je moet leunen op de zang en op de herinnering die iedereen van Johnny Jordaan heeft. Leunen op het cliché, en dan voluit gaan.'

Persen

Prins zingt de nummers in de serie, en op de bijbehorende cd, op volle kracht. Hij duwt en perst de woorden eruit, alsof hij ze geen moment langer voor zich kan houden. Ze móeten gezongen worden, want hij wil iedereen ervan doordringen dat de zon voor iedereen schijnt, dat de Westertoren de parel van de Jordaan is en dat het ware geluk ook in de armoedigste woonomstandigheden kan worden gevonden: ,,Maar toch voel ik mij een koning/ ook al vloeit er dikwijls een traan/ op die afgekeurde woning/ in het hart van die ouwe Jordaan.'

Het zijn liedjes die niet van wijken willen weten. Toen de etnomusicologe Barta Rövekamp in 1992 haar doctoraalscriptie Levende muziek in Amsterdamse cafés publiceerde, bleken de meest gespeelde nummers nog altijd over Amsterdam in het algemeen en de Jordaan in het bijzonder te gaan. Aan de Amsterdamse grachten stond bovenaan in haar `hitparade van de levende muziek'. Bij ons in de Jordaan haalde, na de klassieke song All of me, de derde plaats. Daar is de orgelman van Willem Parel alias Wim Sonneveld was nummer vijf, en ook Mijn ouwe Amstelstad en Oh Johnny eindigden hoog. Het meest recente lied, Er is een Amsterdammer doodgegaan van de uit de Jordaan afkomstige Johnny Kraaykamp, dateerde uit 1977. De rest was veel ouder.

,,Die ouwe nummers blijven de beste', beaamt de zanger Henk van Mokum (`voor al uw feesten') die eigenlijk Henk van der Geld heet, maar net als zijn grote voorbeeld een toepasselijk pseudoniem heeft gekozen. ,,Iemand als Pierre Kartner schrijft natuurlijk óók nog wel eens een goed liedje, maar de mooiste zijn toch die dingen van Henvo en Pi Vèriss en Harry de Groot. Die mannen wisten precies waar het sentiment en de gein zaten. Als ik die nummers zing, is het nog altijd grote pret.'

Ook hij moet toegeven dat de Jordaan niet meer is wat ze is geweest. ,,Wie nu nog Jordaan-liedjes zingt', stelt Jacques Klöters vast, ,,zingt liedjes met derdehands ideeën en grijpt terug naar een tijd die onze ouders ook maar van horen zeggen hebben.' Bert Hiddema formuleert het in zijn boek nog hardvochtiger: ,,De buurt is op sterven na dood.' Hij bedoelt de oude buurt, want de nieuwe, gerenoveerde Jordaan is één en al leven. Alleen het karakter is geheel veranderd. ,,Er wonen hooguit nog maar een paar honderd originele Jordanezen,' denkt Kees Prins. ,,Voor de rest is het nu één groot yuppendorp.' In de Jordaan staat de lepel nu in de gazpacho.

Bij ons in de Jordaan, vanaf zondag 19/11, Ned.3, 22.30-23.20u

Kees Prins: Bij ons in de Jordaan, cd, Eigen Wijs (VPRO), ƒ39,50

Bert Hiddema: Johnny Jordaan. Luitingh-Sijthoff, ƒ39,90

Co de Kloet en Leo Boudewijns: Geef ons maar Amsterdam. De honderd beste liedjes over Mokum. De Prom, 280 blz, ƒ24,95

`Het allerbelangrijkste is, dat je recht uit je kloten moet zingen'

`Je moet geen schroom hebben,

en weinig tot geen kapsones'