Koštunica moet afstand nemen van zijn voorganger

Het aantreden van Koštunica als nieuwe president van Joegoslavië leek een democratische belofte in te houden. Maar tot nu toe heeft hij weinig tot niets gedaan wat deze hoop rechtvaardigt, vindt Sonja Biserko.

De val van de Joegoslavische president Slobodan Milosevic en het aantreden van Vojislav Koštunica hadden de opmaat kunnen zijn voor veranderingen op de Balkan. Koštunica had onmiddellijk een aantal maatregelen moeten nemen waaruit de breuk met het beleid van zijn voorganger zou blijken. Bijvoorbeeld: erkenning van Bosnië-Herzegovina als onafhankelijke staat en het aangaan van diplomatieke betrekkingen met dit land. Dat had zijn eerste prioriteit moeten zijn.

Ook een verdrag over de staatsgrenzen met de republiek Macedonië, het vrijlaten van alle Albanese gevangenen die tijdens het Kosovo-conflict waren gearresteerd en het in vrijheid stellen van alle politieke gevangenen hadden prioriteit moeten krijgen. Koštunica had tevens een politieke dialoog op gang moeten brengen met de Albanese leiders in Kosovo en hierdoor de nieuwe realiteit in Kosovo erkennen. Koštunica's erkenning van zowel het Dayton- als het Kumanovo-akkoord is een eerste vereiste om het vertrouwen bij de buurlanden en de internationale gemeenschap te herstellen.

De uitspraken van de nieuwe Joegoslavische president bij zijn eerste optreden in het openbaar, zal de twijfel bij de buurlanden echter niet hebben weggenomen: het Servische standpunt ten opzichte van Montenegro, Bosnië-Herzegovina en Kosovo blijft vrijwel ongewijzigd. Het paradoxale effect is dat met de verkiezing van Koštunica een element van instabiliteit in de onderlinge betrekkingen op de Balkan is binnengeslopen door met `democratische middelen' de Servische aanwezigheid in deze drie gebieden nieuw leven in te blazen.

Het nationalistische blok (de kerk, de Servische Academie van Wetenschappen en Kunst, de monarchie en het leger), dat altijd al van een Groot-Servië droomde, probeert nu met `democratische middelen' de `Servische ruimte' die in voorbije oorlogen werd binnengehaald te consolideren, en heeft zich om de persoon van Koštunica geschaard.

In eigen land moet Koštunica onmiddellijk de rechten van minderheden aanpassen aan Europese normen, de discriminerende regelgeving op het gebied van informatie en hoger onderwijs tenietdoen, en de ontslagen rechters en hoogleraren in hun ambt herstellen.

Verder is de kwestie van de vluchtelingen, die al tien jaar is veronachtzaamd, urgent. De vluchtelingenbevolking wordt hoofdzakelijk gebruikt ten bate van politieke beïnvloeding, dat wil zeggen om Serviërs af te schilderen als slachtoffer en Servisch etnisch grondgebied te consolideren. Van repatriëring is geen sprake meer, hoewel een aantal vluchtelingen terug wil. Een actieve opstelling op het punt van het vluchtelingenprobleem in Servië, waaronder gegarandeerd Joegoslavisch staatsburgerschap voor hen die willen blijven en hulp bij repatriëring voor hen die willen terugkeren, is een morele kwestie waarvoor de nieuwe president niet zijn ogen mag sluiten.

Als de internationale gemeenschap vasthoudt aan haar principes (hetgeen hoogstwaarschijnlijk zal gebeuren, gezien alle inspanningen die het heeft gekost om een duurzame structuur voor de Balkan te vinden), slaagt ze er misschien in het nationalistische blok ertoe te brengen zijn plannen voor een Groot-Servië te laten varen.

Servië terugbrengen tot zijn eigenlijke omvang is, na de val van Miloševic, een tweede onmisbare voorwaarde voor de overgang naar een democratisch bestel. De Serviërs hebben op het moment energie noch tijd voor volgende veroveringen, zelfs niet als dat met `democratische middelen' gebeurt.

Het bewind van Miloševic heeft een diep litteken achtergelaten. Diens erfenis zal nog lang een beletsel zijn voor de terugkeer van Servië binnen de internationale gemeenschap. De gevolgen van corruptie en misdaad die de afgelopen tien jaar welig tierden, zijn nog steeds in alle segmenten van de samenleving waarneembaar. Nu de Socialistische Partij van Servië haar machtsmonopolie kwijt is, blijkt dat het land in de laatste tien jaar een sociale gedaanteverandering heeft ondergaan. De effecten van de totale ineenstorting van de samenleving komen nu in zicht. Het installeren van `crisisteams' draagt een element van anarchie in zich dat het kwetsbare proces van toenadering naar de wereld in gevaar kan brengen.

De voortgang van de machtsoverdracht legt de wederzijdse betrekkingen bloot tussen het vorige regime en de oppositie. Daarom waren drastische stappen tot nu toe dan ook niet mogelijk en treden zij die vele jaren de vertrouwelingen van Miloševic waren, nu onder het mom van democraten aan. Het vreedzaam ten val brengen van Miloševic was niet mogelijk geweest zonder hulp van hoge legerfunctionarissen en leden van de geheime politie die nu beloond zijn met amnestie.

Servië moet nog ruimte scheppen voor een echte oppositie, die elk aspect van het intolerante Servische nationalisme en de toenemende effecten ervan op de Servische samenleving ongenadig kritiseert. Hoewel de val van Miloševic verwachtingen in Servië heeft gewekt, is het land nog altijd op zoek naar zijn identiteit. Het zoekt deze identiteit op dit moment eerder in een abstract Serviër-zijn dan in een burgerstaat. De waarschuwing van een vooraanstaand filosoof dat: ,,de idee van burgerschap de nationale identiteit van de Serviërs dreigt te vernietigen'' is veelzeggend.

Samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, een vooruitzicht waar het grootste deel van de politieke en intellectuele elite afkeurend tegenover staat, zou wel eens de moeilijkste taak voor de nieuwe president kunnen zijn, aangezien hij het dit tribunaal vanaf het begin heeft betiteld als anti-Servisch, illegaal en politiek bevooroordeeld. De stemming onder de burgers die tegen Miloševic zijn gekant zou in de komende tijd alle politieke meespelers voor een verrassing kunnen stellen.

De internationale gemeenschap zou als bijkomende belangrijke factor de stabilisering aanzienlijk kunnen bevorderen door samenwerking te eisen met het Joegoslavië-tribunaal, als middel tot uitkristallisering van en differentiatie in de Servische samenleving. Dit zou mettertijd van hoog tot laag een structuur van morele waarden creëren, die het land op zijn weg naar normaliteit niet kan ontberen.

Sonja Biserko is voorzitter van het Helsinki comite voor de rechten van de mens in Servië.