In de schaduw van Grote Broer

Zou Marijke van Hees naar The Eagles luisteren? Hotel California uit de autoradio laten schallen, op weg naar een volgend vraaggesprek om uit te leggen dat er echt niets aan te merken was op haar declaratiegedrag als PvdA-voorzitter? En zou ze dan meeneuriën met de gebronsde sufstemmen van Don Henley en Glenn Frey: `Welkom in Hotel Achterbaksheid'?

Wie weet. Het zou niet hoeven te verbazen. Marijke van Hees, ijverig maar kleurloos, is een waarachtig kind van de `verloren generatie' (zo gedoopt door de socioloog Henk Becker) die opgroeide medio jaren zeventig, een tijdperk waarin de kreukvrije soft-pop hoogtij vierde en dat door haar oudere zussen en broers – de generatie van de hemelbestormers van de jaren zestig – achteraf werd uitgeroepen tot het saaiste sinds Justus van Effen.

Juist daarom was het zo'n onprettige verrassing voor de partijtop dat dertigers uit de provincie plotseling Marijke van Hees tot voorzitter kozen, boven de twee kwikzilveren netwerkers van weer een generatie later, met wie de boomers beter zaken dachten te kunnen doen. Tussen het brutale Satisfaction van The Stones – lijflied van de geboortegolvers – en de techno van de jeugdige `pragmatische generatie' (ook een term van Becker), klonk opeens het zonnige Hotel California, vertolking van een levensgevoel dat wel progressief is maar niet revolutionair, nuchter maar niet handig, ironisch maar niet cynisch, ijverig maar niet briljant, zakelijk maar niet achterbaks – het keurmerk kortom van de generatie uit de jaren zeventig.

De daaropvolgende val van Van Hees – platgedrukt tussen geboortegolvers die haar verkiezing betreurden en zéér pragmatische nieuwkomers – kan model staan voor de jaren zeventig als zodanig. In plaats dat de geboortegolvers in dat decennium werden onttroond door een coalitie van hun directe opvolgers en de pragmatici, zijn de laatste met succes tegen elkaar uitgespeeld om de machtspositie van de boomers – ook nog eens gezegend met aanhoudende economische rugwind – tot in het oneindige te bestendigen. Zij blijven de generatie voor wie altijd alles beter gaat, een cohort van lucky bastards, naar een epitheton voor hun Amerikaanse evenknie, Bill Clinton. En de jeugd van de jaren zeventig laat het gebeuren.

In Paradijs bij het dashboardlicht probeert een twintigtal kunstenaars, schrijvers, muzikanten en journalisten een beeld te geven van dat tijdperk. Ze doen dat subjectief en aan de hand van popsongs. Hier dus geen kabinet Lubbers-I of Akkoord van Wassenaar (1982) als afsluiting van de jaren zeventig maar persoonlijke indrukken en mijmeringen. Het boekje is opgedragen aan de Amerikaanse feestrocker Meatloaf, aan wie ook de titel is ontleend, naar zijn opera buffa-achtige hit Paradise By The Dashboard Light (1977).

De `jaren zeventig' worden hier dus zeer ruim opgevat, ongeveer van 1975 tot 1985. Dat is een periodisering die weliswaar deze jonge auteurs binnenboord houdt, maar waar veel op af te dingen is. Inderdaad, de jaren zestig liepen lang dóór, maar ze werden gevolgd door `de korte jaren zeventig', ingeklemd tussen oliecrisis (1973), recessie en kraakrellen op Koninginnedag (1980), de finale van de autochtone tegencultuur die in de jaren zestig was geboren. Het `decennium' daartussen, gesandwicht tussen Marcel van Dam en Maarten van Poelgeest, was de bakermat van Henk Beckers `verloren generatie'. Te jong voor Woodstock, te oud voor Kedichem.

Een poging dát decennium te kwalificeren zou de moeite waard zijn, want in weerwil van het cliché was het roerig en turbulent genoeg, met Den Uyl, Van Agt, treinkapingen, abortusklinieken, Lockheed, Menten, Aantjes, te veel om op te noemen. Maar het resultaat in deze bundel is helaas voorspelbaar: de `seventies' waren lelijk, dom en vlak, maar nou ja, het waren ònze `seventies'. Het lijkt wel of sommige auteurs tegen wil en dank de clichés van de toenmalige progressieve opiniebladen (`het ik-tijdperk') hebben geïnternaliseerd: nee, wij zijn niet interessant. De geschiedschrijving volgens Grote Broer heeft haar werk grondig gedaan. `Wij wilden dit boek maken om te weten te komen met wat voor mensen wij op school hebben gezeten', schrijven de samenstellers al defensief in hun voorwoord. Dan komt meteen de ontnuchterende conclusie: `Welnu, het is niet gelukt. Jullie lijken niet op ons [...] We zijn geen Generatie. Dat is een felicitatie waard.'

Zo wordt Paradijs bij het dashboardlicht een zuiver voorbeeld van de vrijwillige blikvernauwing die optreedt zodra auteurs in de kermistent van het moderne retro-circus een kunstje moeten doen. Tobberige feestjes, klungelige rockbandjes, het gevoel alleen te staan op de dansvloer – alles ademt de natgeregende sfeer van de diepe jaren zeventig die veel van deze auteurs niet eens `bewust' kúnnen hebben meegemaakt. Een blik op het colofon leert dat bijna de helft van de auteurs in 1980 te jong was om te hebben gehopst op Meatloaf, of dinosauruspasjes te hebben gemaakt op The Eagles.

Niet allemaal. `Gesprekken in de loods gingen vaak over dikke tieten en verder over alles wat maar met sex te maken kon hebben', herinnert de veteraan in het gezelschap, Tom Egbers (1958), zich. De dertien jaar later geboren Sanne Wallis de Vries weet nog: `Als groep deden wij niets. Open en bloot. Wij hingen in de zitbanken van één van onze ouderparen, voor zover die nog bij elkaar waren.' En nu? `Ik ben bijna dertig, nu, in 2000. Bijna twee keer zo oud als toen. Het hele groepje zal rond de dertig zijn. Sjeezus.'

Zo gaat het door. Veel ernstige oude jongens en meisjes, met hetzelfde oor voor popmuziek en dezelfde kleine wereldwijsheid. Candy Dulfer (1969) is ook van de partij, met een opstel als negenjarige: `Misschien word ik wel punk, maar dan zonder veiligheidsspeld, zoals Blondie, want punk betekent gewoon dat je een mening hebt over dingen, bijvoorbeeld tegen discriminatie, en dat je daar achter staat.' De saxofoniste is een baken van onschuld, in een zee van overbewustheid. `Ik was liever wat groter geweest', schrijft Rob van Essen (1963), `al was het alleen maar om dit verhaal te redden van de totale voorspelbaarheid die er nu al ingeslopen is – maar er is niets aan te doen.' Très jaren zeventig. Zijn verhaal vertrekt van `het laatste klassefeest waarop geen alcohol aanwezig is', en culmineert, hoe kan het anders, in een wrange reünie.

Van een breuk tussen de jaren zeventig en tachtig is weinig te merken, wat wederom niet zo vreemd is gezien de geboortejaren van de meeste auteurs. De keuze van de popnummers verschuift naar Prince en Michael Jackson, maar de tobberige introspectie blijft hetzelfde. `Was het nu de tijd, of was het ikzelf die zo verrot was?' begint Rob van Erkelens. `Niet dat je het jezelf kwalijk kunt nemen, maar toch vraag ik het me weleens af: wat heb ik die eerste, pakweg, twaalf jaar eigenlijk gedáán?' kwelt Dirk-Jan Arensman (1974) zichzelf.

Een van de weinigen die tegendraads uit de hoek komen, is Groene Amsterdammer-redacteur Joeri Boom. In een opstel dat geen moment twijfelt aan zijn eigen belang of gewicht, beschrijft Boom (1971) hoe hij in de zomer van 1985, op weg naar huis werd overvallen door de vraag of hij goed zou zijn geweest in de oorlog. `Opeens was ik niet meer zo zeker van mijn zuivere inborst', schrijft hij. Een klassiek jaren zestig-moment. Veel later doet hij verslag uit Kosovo. `Ik heb er veel geleerd', schrijft hij. `Over kicks, over mezelf, over angst, over verantwoordelijkheid en over menselijkheid en onmenselijkheid. [...] Wij trokken naar het front, leerden de mensen en hun levens kennen, en maakten de mooiste en de afschuwelijkste dingen aan den lijve mee. Die vriendschap, gevoed door de oorlog, behoort tot de weinige Kosovo-herinneringen die ik koester.'

Wat doet zo'n al te stoere biecht tussen de onzekere jeugdherinneringen onder de leeslamp? Het is, heel simpel, de kern van de zaak in de jaren nul van deze eeuw. De jeugd van nu is de jaren zeventig, met hun ironische humanisme en reflexmatige zelfrelativering, allang voorbij. Ze verlangt, in het voetspoor van de geboortegolvers uit de jaren zestig, naar heftige ervaringen, duidelijkheid, het scheiden van bokken en schapen, kortom, naar oorlog. Marijke van Hees stapte ook middenin een oorlog, zij het een minder bloedige dan die van Boom. Maar een oorlog was het. Daar kunnen ook al die door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet geinig vertaalde songteksten in dit boekje niets aan helpen.

Adriaan Jaeggi en Jasper Henderson (red.): Paradijs bij het dashboardlicht.

Thomas Rap, 217 blz. ƒ34,90