Iets moois scheppen uit de modder

Ruim dertig jaar geleden beschreef Jeroen Brouwers in zijn eerste roman Joris Ockeloen en het wachten (1967) de lijdensweg van een man die wacht op de geboorte van zijn eerste kind. Zo'n verhaal zou nu niet meer geschreven kunnen worden, omdat de hedendaagse vader in spe geacht wordt erbij te zijn als zijn vrouw bevalt en niet op de gang te zitten wachten totdat de zuster hem komt feliciteren. Toch is Joris Ockeloen nog steeds een intrigerende roman. In alle geuren en kleuren wordt de doodsangst verbeeld waarin een man verkeert die maar moet afwachten of zijn geliefde de weeënmarteling heelhuids zal doorstaan. Zij blijft zelf buiten beeld, maar hem zie je steeds snakken naar adem, in barensnood, zo lijkt het wel.

In de vele romans die op Joris Ockeloen zouden volgen, is er altijd wel sprake van ademnood. Steeds weer brengt Brouwers zijn hoofdpersonen in situaties waarin ze niet willen zijn en waarin ze zich opgesloten voelen: een versleten huwelijk, een uitzichtloze liefde, een vastzittende lift, een stad waarin ze zich verdwaald voelen of juist een huis in provincie of bos waar nijpende eenzaamheid hun deel is.

Tien jaar geleden is het inmiddels dat Zomervlucht, Brouwers' vorige roman, verscheen. In die tien jaar zat Brouwers niet stil. Hij schreef verhalen, essays, autobiografisch mengelwerk en vijf `Feuilletons', waarin hij verschillende genres onderbracht. Maar het wachten was toch vooral op zijn nieuwe roman, Geheime kamers. In Vrij Nederland vertelde hij dat hij daar vijf, eigenlijk zes jaar over had gedaan. Een heel jaar, verzuchtte hij, was heengegaan met keeloperaties, die geen van vijf waren gelukt, zodat hij zich nu met een prothese moet behelpen.

Op grond van die achtergrondgegevens zou je een extra benauwende roman verwachten, gedrenkt in gierende ademnood. Maar niets blijkt minder waar. Geheime kamers is, met behoud van de ernstige Brouwers-thematiek (liefde, dood en literatuur), een opmerkelijk luchtige, ik zou haast zeggen montere roman. Zelf repte hij van een `gebeurtenisroman', zulks in tegenstelling tot bijvoorbeeld De zondvloed (1988) dat juist `nergens over' zou gaan. Geen van beide veronderstellingen lijkt mij trouwens waar. Zoals De zondvloed juist zinderde van (denk)activiteit, zo gebeurt er in Geheime kamers soms bladzijdenlang niets. Een groot verschil met eerder werk is wel dat Brouwers zich meer vrijheden permitteert. Geheime kamers is veel minder doorgecomponeerd, minder hamerend, zich minder van zichzelf bewust dan zijn voorgangers. Hier en daar laat Brouwers wel eens een verhaalrafeltje hangen, niet ieder detail wordt uitgediept en een enkel personage blijft wat onderbelicht. Een rommeltje maakte hij er trouwens ook weer niet van: het verhaal eindigt, keurig rond, waar het begon, er is een spannende, gewelddadige ontknoping waar listig naar wordt toegewerkt en ook zijn er de nodige, steeds terugkerende motieven, zoals dat van de woonboot, de huwelijksboot waar Jelmer van Hoff ooit met zijn Paula instapte, en die nu om dreigt te slaan.

Van het huwelijk is nog weinig over als wij Jelmer, een bijna 50-jarige, afgekeurde leraar geschiedenis, leren kennen. Hij woont nog wel samen met zijn vrouw op de boot, in een stinkerige achterafsloot, maar zij leiden ieder hun eigen leven. Zij als huisarts, met verdacht veel avond- en nachtdiensten en hij als werkloze. Hij vult zijn dagen met spelletjes patience en met piekeren, over een proefschrift dat hij nooit zal schrijven.

Hij is verbaasd als de vrouw van een vroegere studievriend, een beroemde zangeres, belangstelling voor hem blijkt te hebben en hem brieven begint te sturen. Zelf raakt hij hopeloos verliefd, maar hun verhouding komt niet van de grond: hij mag, tijdens een enkele, onbevredigende ontmoeting, alleen maar even kijken naar haar anorectische lichaam. Als hij er achterkomt dat hij voor haar niet meer is dan een soort tussenpersoon tussen haar saaie echtgenoot en haar grote, geheime liefde, dan is hij ten einde raad.

Brouwers bespaart zijn held werkelijk niets: eczeem, darmstoornissen, een wielklem, een gestolen fiets, persmuskieten die hem met telelenzen achtervolgen en te kijk zetten in schandaalbladen, een echtgenote die na een geheime verhouding van tien jaar intrekt bij haar collega, een trouwe hond die onverhoeds sterft en een mongoloïde dochter die wegkwijnt in een tehuis. Om de ellende nog meer aan te scherpen, deed hij er zwaar weer bij. Bijna alles speelt zich af in de kletterende regen, vaak aanzwellend tot een ware zondvloed. Of bij stormwind, aanwakkerend tot orkaankracht waarbij auto's als dinky toys worden opgetild en weer neergesmeten. `Voetgangers, fietsers, dieren, daken, hele stadsparken zwierden door de lucht, waar vliegtuigen juist uit neerstortten.'

Er zit duidelijk een komische noot verborgen in de wel erg theatrale weersgesteldheden. Opzettelijke overdrijving zie je ook in het extra snuifje hysterie bij de toch al rijkelijk aanstellerige zangdiva, of in een explosieve darmontlading bij zijn hoofdpersoon. Het is vooral de laconieke toon die de roman, bij alle dramatiek prettig dicht bij de grond houdt.

In alle overspelige rottigheid die in Geheime kamers breed uitgemeten wordt, is Jelmer van Hoff, zoals zijn achternaam al suggereert, een wonder van hoffelijkheid, geduld en goede wil. Hij vindt zichzelf een non-valeur, maar wij weten wel beter: deze man deugt. Hij doet aan de lopende band stomme dingen, maar hij heeft het hart op de juiste plaats. Zo wil hij zijn argwanende vrouw (die hem zelf nota bene al veel langer bedriegt) met leugentjes om de tuin leiden, maar zij begrijpt allang dat hij iets heeft met `die gratenkut'.

Met de moed der wanhoop zet hij ten slotte zijn leven voort in een driekamerflat – boot kwijt, vrouw kwijt, geliefde kwijt, bijna alles kwijt – waar hij er, met zijn dochter die hij uit het tehuis heeft gehaald, het beste van probeert te maken. Hij probeert te beschrijven wat hem de laatste jaren is overkomen; de geheime kamers die eerst angstvallig gesloten bleven, worden nu flink uitgebezemd en gelucht. `We zullen wel zien', heet het ineens ferm, `Ik zal wel eens zien'. Dat klinkt in deze zompige context als een statement van formaat, alsof hij, als schrijver van gebeurtenisromans misschien wel, licht ziet in de duisternis.

Jeroen Brouwers laat met Geheime kamers zien dat er uit stront en modder, hysterie en overspel, uit bloed, zweet en tranen, uit de hele benauwende veste die het leven heet, toch nog iets moois en zelfs hoopvols kan opbloeien. Hoe moet je zo'n roman noemen die als een bloem uit de vuilnisbelt oprijst? Misschien wel een vlag op een modderschuit.

Jeroen Brouwers: Geheime kamers. Atlas. 494 blz. ƒ49,90