Het komt best wel goed met de euro

De dalende koers van de euro ten opzichte van de dollar heeft niets te betekenen. Het succes van de euro moet worden beoordeeld aan de hand van zijn eigen doelstellingen: een lage inflatie in euroland, de afwezigheid van interne wisselkoersschommelingen en het ontstaan van een Europese kapitaalmarkt. Volgens Alman Metten, voormalig Europarlementariër (PvdA), en zijn oud-medewerker bij het Europarlement Bart van Riel, slaagt de euro glansrijk voor die test. Beiden zijn dan ook fervente pleitbezorgers van de euro – of beter gezegd van de Economische en Monetaire Unie met één munt.

De EMU kreeg gestalte in het Verdrag van Maastricht (december 1991), aangevuld met het Verdrag van Amsterdam (juni 1997). Het aardige van De keuzes van Maastrich is dat de auteurs, op grond van primaire bronnen, ambtelijke stukken, enkele interviews en krantenberichtgeving (o.a. in NRC Handelsblad), uit de doeken doen hoe dergelijke verdragen in langslepende onderhandelingen tot stand komen. Compromissen worden voorgesteld en verworpen, keuzes gemaakt en opengebroken, alternatieven aangedragen en afgevoerd. De spelregels zijn nooit af, concluderen Metten en Van Riel. Door de jaren heen heeft het EMU-proces volgens hen zijn dynamiek ontleend aan de botsing van twee visies: de Duitse wens van monetaire stabiliteit en de Franse wil tot politieke soevereiniteit over de economie.

Ook stellen ze vast dat de Duits-Franse dominantie na Maastricht geleidelijk afnam, voornamelijk omdat zowel Duitsland als Frankrijk midden jaren negentig zélf de grootste moeite kreeg om te voldoen aan de toetredingscriteria voor de EMU die ze hadden opgesteld. Ten slotte zijn ze van mening dat de lidstaten, om uiteenlopende redenen, opzettelijk een bescheiden rol hebben toegekend aan de Europese Commissie en het Europarlement in het EMU-proces. Duitsland is op historische gronden bang voor aantasting van de monetaire stabiliteit, de Fransen zijn afkerig van een machtige Commissie en alle lidstaten willen zeggenschap over hun eigen begrotingsbeleid behouden. Metten kijkt daar, als ex-Europarlementariër, anders tegenaan.

In de aanloop naar de euro was Metten een voorstander van soepele toepassing van de toelatingscriteria en deelname van een zo ruim mogelijke groep landen. Zo is het uiteindelijk ook gelopen, en sceptici ten aanzien van de euro kunnen wijzen op een neveneffect hiervan: een zwakke munt. Metten en Van Riel zijn daar niet van onder de indruk. Sterker, ze pleiten voor een beleid van de Europese Centrale Bank dat de deur openzet voor een verdere verzwakking van de euro. Naar hun mening moet de ECB, net als de Amerikaanse Federal Reserve Board, niet alleen prijsstabiliteit maar ook bevordering van de economische groei en werkgelegenheid als hoofddoelstelling hebben. De ECB moet volgens hen niet zo obsessief gericht zijn op lage inflatie, maar ze moet de economische groei in euroland stimuleren. Ze zijn met andere woorden voorstanders van een ruim monetair beleid. Dat is vloeken in de Frankfurter kerk.

De hobbelige weg naar de EMU, zoals de ondertitel van het boek luidt, blijkt uit de wijze waarop de verdragen van `Maastricht' en `Amsterdam' tot stand zijn gekomen. De auteurs rakelen bijvoorbeeld nog eens de ruzie op die uitbrak tussen toenmalig thesaurier-generaal Cees Maas en minister van Financiën Wim Kok in de zomer van 1991. Maas speelde een sleutelrol in de onderhandelingen over de monetaire unie, maar toen hij met een voorstel kwam voor een EMU met twee snelheden, liet Kok hem als een baksteen vallen omdat hij geen politieke conflicten wenste met Italië. Later probeerde Kok samen met Gerrit Zalm, zijn opvolger als minister van Financiën, alsnog Italië buiten de eerste groep landen te houden.

Telkens werden er politieke stapjes gezet in de richting van versoepeling van de criteria ten aanzien van deelname en discipline. Ook door Duitsland, het land dat het hardst hamerde op monetaire stabiliteit Bij de onderhandelingen over de vraag wat te doen in geval van `buitensporige tekorten', de datum voor de start van de monetaire unie en de sancties van het stabiliteitspact schoof Duitsland steeds verder op.

Metten en Van Riel zijn zeer te spreken over de toevoeging van werkgelegenheid aan het EMU-beleid. Ze verklaren dat door het aantreden, vanaf midden jaren negentig, van overwegend sociaal-democratische regeringen in de EU-lidstaten. Zo kwam Zweden als eerste met voorstellen voor coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid, om aldus de Zweden te verzoenen met het EU-lidmaatschap. Aanvankelijk voelde noch Duitsland noch Frankrijk hier veel voor. Duitsland was bezig de EMU-criteria te verscherpen met voorstellen voor een `stabiliteitspact'. Na lang touwtrekken werd dit op de top van Amsterdam aangenomen. Maar vlak daarvoor wisselde in Frankrijk onverwachts de regering. De nieuwe sociaal-democratische regering-Jospin eiste, onder druk van maatschappelijke protesten tegen het bezuinigingsbeleid, een verwijzing naar een werkgelegenheidspact. Uiteindelijk werden de twee elementen in elkaar geschoven in een `pact voor stabiliteit en groei' en kwam er een informeel overleg van de ministers van Financiën van de eurolanden, de `euro-11'. De betekenis van een Europees werkgelegenheidsbeleid moet overigens nog blijken.

In De keuzes van Maastrich wordt voor het eerst in een Nederlandstalige studie verslag gedaan van de weg die tot de euro heeft geleid. Wie wil weten waarom we over dertien maanden met euro's zullen betalen in twaalf lidstaten van de EU, kan in dit informatieve boek terecht. Het is jammer dat de uitgever niet meer aandacht heeft geschonken aan toegankelijkheid. Er ontbreekt een index en dat is bij een dergelijk naslagwerk onontbeerlijk.

Bart van Riel en Alman Metten: De keuzes van Maastrich. De hobbelige weg naar de EMU. Van Gorcum, 224 blz. ƒ49,90