Het Indische gezicht van De Gids

Toen Edward Said in 1978 zijn geruchtmakende werk over het oriëntalisme publiceerde, bleef Nederland onberoerd. Orientalism, dat de Europese houding jegens de buiten-Europese wereld aan de kaak stelde, ging immers vooral over het Midden-Oosten en bovendien over Franse en Engelse oriëntalisten. Nederland voelde zich niet aangesproken. Pas later, veel later, begon iets van het debat hier door te dringen. Het blijft een intrigerende kwestie of dit lag aan de wetenschappelijke cultuur, of aan de Nederlandse visie op het eigen koloniale verleden.

Aan oriëntalisten had Nederland intussen geen gebrek. Nederlands-Indië trok altijd al een lange stoet botanisten, verzamelaars, halve en hele kunstenaars, schedelmeters, taalkundigen en cartografen. Het effect op de Nederlandse samenleving was doorgaans vrij gering. Lange tijd bestond in Nederland zelfs nauwelijks belangstelling voor de koloniën. Pas in de loop van de negentiende eeuw ontstond er iets dat op imperialistisch enthousiasme leek. Een van de sleutelfiguren die Indië onder de aandacht van het Nederlandse publiek en de politiek brachten, was Pieter Johannes Veth, een van de meest gezaghebbende publicisten over Nederlands-Indië.

Afgelopen woensdag promoveerde de historicus Paul van der Velde op een biografie van deze Veth. Nu bieden biografieën van historici zelden meeslepende lectuur. Een schrijftafel is een weinig opwindend decor. Ook Veth was een kamergeleerde, zij het een voortvarende. Van der Velde schreef een concieze en krachtige biografie over hem, zonder de volledigheidsneurose die zo veel Nederlandse biografieën onverteerbaar maakt. Dat is knap, want het leven van Veth was weinig avontuurlijk, om niet te zeggen doodsaai. Kleurrijke voorvallen biedt het niet, of het moest zijn voortdurend uitdijende en inkrimpende kinderschare zijn: uiteindelijk zou maar één van zijn elf kinderen hem overleven. Professioneel zat er ook niet veel beweging in, maar wel een stijgende lijn. Slechts vier posten bezette deze zoon van een Dordtse ijzerhandelaar: hij begon zijn loopbaan als leraar Engels en Maleis aan de militaire academie in Breda, om na een jaar over te stappen naar het zieltogende Atheneum in Franeker; van 1842 tot 1864 was hij hoogleraar theologie aan het iets minder bedreigde maar toch sukkelende Athenaeum Illustre in Amsterdam, en van 1864 tot 1885 was hij hoogleraar in de Land- en Volkenkunde aan het Indisch Instituut in Leiden.

Werkdrift

Veth leidde een zittend bestaan. Als hij al reisde, dan toch als inner traveller. Het Indië dat hij beschreef, heeft hij nooit gezien. Behalve een enkele korte vakantie of professioneel bezoek aan een van de buurlanden bleef Veth thuis, in zijn gestaag groeiende bibliotheek. Aan het eind van zijn leven bezat hij meer dan 25 duizend boeken. Een fabuleus geheugen, een lang leven en een grote werkdrift maakten Veth tot een van de productiefste schrijvers van zijn tijd. Zijn bibliografie telt 298 artikelen, vaak van grote lengte, en tientallen monografieën. Daarnaast redigeerde hij talloze jaargangen van De Gids, het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië en het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, en bezorgde of vertaalde hij vele boeken van anderen. Zijn grootste en bekendste werk is het vierdelige Java, geographisch, ethnologisch, historisch (1875-1884), waarin Veth eigenhandig de stand van kennis over het eiland gaf. Een magistraal slotakkoord van het encyclopedisme. Nooit meer zou een enkele persoon zich aan een dergelijke onderneming wagen.

Het was veel, maar was het ook van belang? Veth vertegenwoordigde, en propageerde, de geleidelijke emancipatie van de Nederlandse oriëntalistiek uit de wurggreep van het supranaturalisme, de leer van de bovennatuurlijke openbaring. Begonnen als student theologie, werd hem snel duidelijk dat de materiële wereld hem meer belang inboezemde dan de immateriële, en bovenal dat de kennisvorming van de twee strikt gescheiden moest blijven. Dit bracht hem in Leiden al in progressief vaarwater. Toen hij enkele jaren later in Amsterdam arriveerde, werd de jonge theoloog snel in liberale kringen opgenomen. In de redactie van het jonge tijdschrift De Gids vond hij geestverwanten in Busken Huet en Potgieter, die de strijd aanbonden met de Nederlandse kruideniersgeest. Veth werd het Indische gezicht van De Gids. Voor hem betekende dit de losmaking van zijn theologische ambities – het vak waarin hij nog steeds doceerde maar waaraan hij nauwelijks een wetenschappelijke bijdrage van belang heeft geleverd. Pas dan, als hij onder de invloed van het hoofdstedelijke liberalisme raakt, begint Veth zich in de koloniale politiek te mengen.

Van groot belang was de vriendschap met de Bataviase dominee en koloniale criticaster Wolter Robert baron van Hoëvell. Na zich in de kolonie ongeliefd te hebben gemaakt, kwam de baron in 1848 naar Nederland, waar hij als Kamerlid een vurig advocaat werd van de liberalisering van het koloniale beleid. Hij vond in Veth een vriend en actief medestander. De professor en de volksvertegenwoordiger pleitten voor de onttakeling van het cultuurstelsel, de verbetering van het onderwijs, de herziening van de ambtenarenopleiding en de afschaffing van de slavernij, die alle in de decennia na 1848 gestalte kregen. Veth en Van Hoëvell toonden zich voorlopers van het ethische imperialisme dat rond de eeuwwisseling opgeld zou doen. Van Hoëvell sprak in deze zin zelfs van een `bloedschuld' die Nederland zou aankleven – een voorafspiegeling van de `ethische' ereschuld uit later dagen.

Veth is van groot belang geweest voor de Nederlandse beleving van het kolonialisme. Hier was iemand die met hart en ziel Neerlands daden overzee propageerde. In de loop der jaren werd zijn optreden steeds meer door nationalistische motieven ingefluisterd. Was hij in 1847 nog voorstander van Nederlandse aansluiting bij Duitsland, in zijn latere leven werd hij steeds meer overtuigd Nederlander, en uiteindelijk zelfs Groot-Nederlander. Nederlands enige bron van trots en grootheid was zijn koloniale bezit. Dit vereiste niet alleen een rechtvaardig en open koloniaal bestuur, maar ook een actief imperialisme. Veths latere jaren werden gekenmerkt door een steeds ferventere dadendrang. Een middel om actief bij te dragen aan de Nederlandse koloniale onderneming was de oprichting van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap in 1873, een merkwaardig gezelschap van geografen, imperialisten en aandeelhouders in koloniale negotie – Veth stierf in zéér goede doen. Het Genootschap werd een van de belangrijkste vehikels van het burgerlijk imperialisme dat Nederland in de laatste decennia van de eeuw kenmerkte.

Expedities

Een tour de force was de organisatie van een wetenschappelijke expeditie die het Aardrijkskundig Genootschap in 1877 en 1878 naar Midden-Sumatra uitzond. Hier deed zich een kans voor actief wetenschappelijke en praktische informatie te vergaren. Ging Veth niet zelf met de expeditie mee – hij was 63 jaar – wel stuurde hij zijn zoon Daniël, die hij in deze jaren meer en meer als zijn pionierende alter ego naar voren schoof. De expeditie was een staaltje van Nederlandse koloniale tweeslachtigheid. Hoewel de tocht werd gepresenteerd als een puur wetenschappelijke onderneming, zocht Veth de steun van de overheden in Den Haag en Batavia, die het schip en de bemanning zouden leveren. De expeditie, die als doel had de rivieren in de Sumatraanse binnenlanden in kaart te brengen en allerhande biologische en etnografische informatie te verzamelen, leidde door enkele onafhankelijke vorstendommen. De expeditieleden verzekerden weliswaar niet als veroveraars te komen, maar de vorsten wisten wel beter. Ze weigerden Daniël en zijn medereizigers de toegang tot hun rijk en dreigden zelfs met geweld. De expeditie slaagde maar half. Desondanks wist Veth de onderneming voor zich te vergulden. Tussen 1881 en 1892 redigeerde hij negen kloeke delen van Midden-Sumatra, het verslag van de expeditieleden. Nog geen generatie later waaide de Nederlandse vlag in Midden-Sumatra.

Als voorzitter van het Aardrijkskundig Genootschap bereikte Veth het hoogtepunt van zijn roem en invloed. In die hoedanigheid organiseerde hij de koloniale wereldtentoonstelling in Amsterdam in 1883 en redigeerde hij de driedelige catalogus. Ook ageerde hij tegen de Britse onderdrukking van de Boeren in Transvaal en stuurde hij Daniël op expeditie naar Afrika – waar hij in 1885 de dood vond.

Het is Veth de propagandist die in Een Indische liefde de meeste aandacht krijgt, niet de wetenschapsman. Opvallend is dat Van der Velde zich weinig met de inhoud van Veths oeuvre bezighoudt. We treffen meer citaten uit Veths jeugdpoëzie dan uit zijn volkenkundige werk, dat zich in zijn gezwollen breedsprakigheid minder voor aanhaling leent. Kritisch is Van der Velde niet, maar hagiografisch evenmin. Wat ontbreekt is een wetenschapshistorische analyse van Veths werk. Dat is jammer, want er liggen vele raadsels en tegenstrijdigheden. Was hij wegbereider of wegverbreder? Vernieuwer of volger? Veth de oriëntalist, de mythemaker, de bedenker van Neerlands grootheid overzee, maar ook Veth de verlichte wetenschapper, de nauwgezette encyclopedist, de Javanist, ze blijven in al hun tegenstrijdigheid staan. Vakgenoten wisten er ook geen raad mee. `Een veelzijdig wetenschapper' staat op zijn Dordtse graf, en dat is ook een oplossing.

Hoewel Veth tegenwoordig buiten vakkringen nauwelijks bekend is en erbinnen een beetje smalend als popularisator wordt afgedaan, heeft hij een onmiskenbaar stempel op zijn tijd gezet. Niet in de eerste plaats als docent, want lesgeven deed hij wel, maar kon hij niet. `Gruwzaam vervelend en slaapverwekkend' noemde een student de colleges van Veth, die de uren vulde door uit eigen werk voor te lezen. Toch doceerde hij jarenlang in Leiden de aankomende bestuursambtenaren, die hij ongetwijfeld met zijn liberale denkbeelden en zijn bewondering voor Multatuli bedroop. Daarmee droeg hij bij aan een vruchtbare voedingsbodem voor het ethische koloniale bewind in Indië. Een veel groter gehoor bereikte hij als publicist en regisseur van de Nederlandse koloniale beleving. Wie een halve eeuw na zijn dood dacht dat Nederland zonder Indië verloren was, wist niet meer wie die gedachte ooit had gezaaid.

Paul van der Velde: Een Indische liefde. P.J. Veth (1814-1895) en de inburgering van Nederlands-Indië.

Balans, 451 blz. ƒ65,-