Eerbetoon aan de blauwe engel

Belangrijkste attractie in het nieuwe Sony Center in Berlijn is het Filmmuseum. Dietrich en Riefenstahl krijgen veel aandacht, maar Fassbinder en Wenders komen er bekaaid vanaf.

Wie 's nachts door Berlijn rijdt, stuit plotseling op blauwe neonverlichte straten, mensen die elkaar achtervolgen, auto's die piepend op twee wielen door de bocht vliegen. Acteurs als Götz George, Ben Becker en Manfred Krug rennen in de Friedrichstrasse, zweven door de koepel van de televisietoren op de Alexanderplatz of dwalen door het Ostbahnhof dat even is verbouwd tot het vliegveld van Frankfurt. Zelfs de Amerikaanse acteur Michael Douglas werd onlangs in de straten van Berlijn gesignaleerd.

Achtung, Klappe! Let op: actie!. Filmlocatie Berlijn. Nergens in Duitsland worden dagelijks zoveel camera's opgebouwd voor speelfilms en tv-producties als in Berlijn. Symbool van Berlijns revival als filmstad is de Potsdamer Platz. Op de kale vlakte waar tien jaar geleden nog de Muur liep, is een `klein New York' in Berlijn ontstaan. De Duitse architect Helmut Jahn heeft met het nieuwe Sony Center voorzien van een ingenieuze tentvormige open-dakconstructie – een amusementscentrum gemaakt van glas en staal waar de filmliefhebber zijn hart kan ophalen.

Er is een multiplex-bioscoop met acht zalen, bioscoop Arsenal voor kunstzinnige films, en een IMAX 3D-bioscoop met een 20 bij 28 meter groot doek waar de bezoeker een beweegbare hightech-bril moet opzetten. Ook herbergt het Sony Center een Music Box met virtuele reizen door de muziekwereld. De grootste Europese filmbibliotheek is er gehuisvest. Ook is in het hypermoderne open complex, dat Jahn als een Romeinse piazza heeft gebouwd, de barokke Kaisersaal van het vroegere Grand Hotel Esplanade geïntegreerd waar keizer Wilhelm II zijn beroemde `herenavonden' hield.

De belangrijkste attractie vormt het pas geopende Filmmuseum, dat vooral een hommage is aan de grootste Duitse filmster uit de roaring twenties: Marlene Dietrich. Berlijn boogt op een lange filmtraditie, zo blijkt uit de attributen die het museum heeft verzameld. Tussen 1918 en 1933, de jaren van de Weimar-republiek, verwierf de Duitse film een internationale reputatie. Dat was vooral te danken aan grote regisseurs zoals Ernst Lubitsch, Friedrich Murnau, Fritz Lang en Georg Wilhelm Pabst. In het museum, dat met vele spiegels ingenieuze effecten bereikt, wordt hun werk aan de hand van affiches, foto's, filmattributen en apparatuur getoond.

Femme fatale

Zo maakte Lubitsch in Madame Dubarry in 1919, het jaar waarin vrouwen in Duitsland kiesrecht kregen, getaboeïseerde verhoudingen zichtbaar: politieke macht, hoe bescheiden ook, was voor vrouwen enkel via de weg van seksuele vrijheid bereikbaar, suggereerde Lubitsch in zijn film. Ook Georg Wilhelm Pabst provoceerde met het beeld van de `nieuwe vrouw'. Die Büchse der Pandora gaf met Lulu, die haar man zou hebben gedood, een nieuwe lading aan het beeld van de gevreesde femme fatale.

Fritz Lang veroverde in die jaren de cinema met Das Testament des Dr. Mabuse, als parodie op de Eerste Wereldoorlog. Ook baarde hij opzien met de eerste spectaculaire science fiction-film Metropolis (1927), een film over de gerobotiseerde mens die een kunstmatige wereld had geschapen van wolkenkrabbers en machinehallen. Het museum geeft op hoge wanden over twee verdiepingen een impressie van het surrealistische Metropolis.

Hoogtepunt uit de jaren twintig en dertig zijn de talrijke Dietrich-films: 52 in totaal. Hoewel het filmhistorisch archief van alles heeft verzameld om een eeuw Duitse filmgeschiedenis te illusteren – zelfs zijn beelden bewaard van Charlie Chaplin bij zijn aankomst in Berlijn (1931) geen filmster wordt zo bezongen als Dietrich. Dat is wel eens anders geweest, want vele jaren is Dietrich wegens haar vertrek naar Amerika en haar verzet tegen de nazi's door menigeen in Duitsland als `verraadster' beschouwd. Nog enkele jaren geleden streden aanhangers en tegenstanders over haar graf in Berlijn.

Aan de hand van Dietrichs nalatenschap, waarop het museum gedeeltelijk de hand wist te leggen, worden de verschillende fases in het leven van de Duitse actrice gereconstrueerd. Affiches en filmzuilen herinneren aan haar doorbraak met Der blaue Engel, een vrije bewerking van Heinrich Manns roman Professor Unrat, geregisseerd door Josef von Sternberg. Klassenfoto's, brieven, schoolschriften, hoeden, een sigarettenetui van een van haar geliefden en filmfragmenten geven de dieptes en hoogtepunten uit Dietrichs leven weer.

Haar jeugd in Berlijn, haar ervaringen in de Eerste Wereldoorlog, haar bewondering voor de eerste bekende Duitse filmster Henny Porten, het leven in Hollywood, haar rol als vamp, de romances met Jean Gabin en John Wayne en Dietrichs openlijke afkeer van de nazi's, die ze uitte door haar optredens bij de geallieerde troepen in de Tweede Wereldoorlog.

Na haar dood in 1992 werd Dietrich in Berlijn begraven. Inmiddels is ze postuum in ere hersteld en worden pleinen en straten naar haar vernoemd, en musicals en theaterstukken over haar geproduceerd. Het Filmmuseum, dat een hele zaal heeft ingeruimd voor haar kleding, zoals de beroemde mantel van witte zwanenveren, haar mannelijke uniforms en haar baljurken, is een eerbetoon aan de grootste filmster die Duitsland heeft voortgebracht.

Riefenstahl

Scherp is het contrast met Leni Riefenstahl, die tot vandaag in het spanningsveld zweeft tussen roem en minachting. Waar Dietrich ieder aanbod van Hitler en zijn minister Goebbels van de hand wees om weer in Duitsland te komen werken, ontpopte Riefenstahl zich met haar films tot propagandiste van de nazi's. Ook dat maakt het Filmmuseum aan de hand van filmfragmenten, foto's en teksten in de catalogus over Riefenstahl duidelijk.

Volgens Goebbels was Riefenstahl de enige die het cultuurpolitieke project van de nationaal-socialisten zo goed begreep, dat men haar met `goed geweten' de opdracht voor de verfilming van de Rijkspartijdag in Neurenberg in 1934 (Triumph des Willens) kon geven evenals van de Olympische Spelen in 1936 in Berlijn (Fest der Völker, Fest der Schönheit). Later zei Riefenstahl in interviews dat ze in haar onwetendheid geen alternatieven had gezien. Het oordeel van de critici was echter eenduidig. In zijn documentaire Die Macht der Bilder: Leni Riefenstahl (1993) noemt Ray Müller haar ,,het zwijgzame geheugen van een volk dat zich niets wil herinneren'.

Terwijl vele regisseurs en acteurs zich onderwierpen aan het nazi-regime en bleven doorwerken, toont het museum dat even zovele kunstenaars naar Amerika vluchtten. Billy Wilder, Fritz Lang, Ernst Lubitsch, Bertolt Brecht en Thomas Mann zetten hun werk in ballingschap voort.

Zo uitvoerig als het Filmmuseum de jaren twintig, dertig en veertig documenteert, zo stiefmoederlijk worden de naoorlogse jaren behandeld. Slechts één ruimte is gereserveerd voor een periode van 55 jaar. In vogelvlucht wordt de `nieuwe Duitse film' behandeld plus het West- en Oost-Duitse filmbedrijf. Bij de actrices Hildegard Knef en Romy Schneider staat het museum met behulp van foto's en teksten nog iets uitvoeriger stil. De moderne filmgeschiedenis in de Bondsrepubliek en de ontwikkeling in Oost-Duitsland komen er echter bekaaid vanaf. Dat is een gemiste kans.

Aan de Oost-Duitse regisseurs Heiner Carow met Die Legende von Paul und Paula (1973) een subversieve film over de `bloemenkinderen' in de DDR die momenteel in Oost-Berlijnse bioscopen een revival beleeft en Kurt Maetzig met Ernst Thälmann Sohn seiner Klasse (1954) wordt aan de hand van enkele foto's slechts oppervlakkig aandacht besteed. Ook bij West-Duitse regisseurs als Volker Schlöndorff, Wim Wenders en Rainer Werner Fassbinder, die in de jaren zeventig en tachtig gezichtsbepalend waren voor de nieuwe Duitse film, wordt slechts summier stilgestaan. Van hoogtepunten zoals Schlöndorffs Die Verlorene Ehre der Katharina Blum (1975), Wenders' Der Himmel über Berlin (1987) en Fassbinders Die Ehe der Maria Braun (1979) zijn enkele foto's te zien. Werner Herzog wordt niet eens genoemd.

Na een bezoek aan het Filmmuseum ontstaat gemakkelijk de indruk dat de Duitse film alleen in de jaren twintig en dertig bestond. Ook al is er na de oorlog in Duitsland nauwelijks meer een film van wereldformaat gemaakt, regisseurs als Fassbinder, Herzog, Schlöndorff en Wenders staan voor een tijdperk in de Duitse filmgeschiedenis dat een hele generatie in Europa heeft beïnvloed.

Inmiddels zijn in Duitsland alweer talrijke nieuwe filmers aan het werk, van wie het museum geen melding maakt. De jonge regisseur Tom Tykwer, maker van het succesvolle Lola rennt met Franka Potente in de hoofdrol, heeft internationaal opzien gebaard. Ester Kronendorf, die met Alaska.dot.de een krimidrama over het oude Oost-Duitsland presenteert, en de broers Dominik en Benjamin Reding, die met Oi! Warning een gewaagde en technisch experimentele film produceerden over de rechtse Szene in het Roergebied zijn veelbelovend.

Of het nieuwe Wenders of Fassbinders worden, waagt filmcriticus Hans Georg Rodek van Die Welt te betwijfelen. Iedereen wacht op de nieuwe Fassbinder, maar de jonge regisseurs, twintigers en dertigers, zijn anders. Stonden Wenders, Schlöndorff en Fassbinder voor een generatie die in hun films zelfreflectief naar het Duitse verleden keek, de nieuwe garde regisseurs weerspiegelt de politieke normalisering in Duitsland. Ze ontkennen het verleden niet, maar het staat niet meer op de eerste plaats.

Lola rennt vertegenwoordigde als eerste een nieuw Duits levensgevoel. Het Filmmuseum komt niet verder dan het tentoonstellen van het groen-witte tenue waarin Lola door de film rent.

Filmmuseum in Sony-Center, Potsdamer Platz, Berlijn. Geopend dinsdag tot zondag 10-18 uur, donderdag tot 20 uur