Een onaantastbare potentaat

,,Ik ben erg gesteld op intelligente mensen.

Hoewel d-domme natuurlijk veel aardiger zijn.

Intelligente mensen zijn altijd schofjes.'

UIT: J.J. Voskuil Het Bureau I - Meneer Beerta (1996)

De komende weken portretteert het CS zeven personages uit J.J. Voskuils romanserie `Het Bureau'. Nummer 1: A.P. Beerta.

,,Iedere vergadering is belangrijk. Je ziet weer interessante mensen en bovendien hebben ze bij de vergaderingen van de Maatschappij altijd van die lekkere koekjes.'

Aan het woord is A.P. Beerta, volkskundige, stotteraar, socialist, Zeeuw, praktiserend homoseksueel, en tot 1965 directeur van Het Bureau dat ooit zijn naam zal dragen. Beerta, Anton voor zijn naasten, is een feitenverzamelaar die zich in de wetenschap staande houdt door zijn werklust, zijn kantoorpolitieke inzicht en zijn vermogen om iedereen voor zich in te nemen. Voor Maarten Koning, die in 1959 door hem als medewerker wordt aangenomen, is hij aanvankelijk een rolmodel, `het levende bewijs dat je jezelf zo van de buitenwereld kunt afschermen dat je onaantastbaar blijft'. Maar al gauw toont de kwajongen-op-leeftijd ook zijn andere gezichten: dat van de potentaat, die zijn ondergeschikten toebijt `heb je nu al een meisje?' of `dan draag ik het je op!'; en dat van de aartsopportunist, die er voor zorgt dat hij `niet in het kamp van de verliezer komt' en daarbij zijn getrouwen verraadt en het belang van de wetenschap aan zijn laars lapt. `Beerta', zo constateert Maarten, ,,bond in tot hij als een hoop vuil in een hoek lag om dan, als niemand meer op hem lette, glimlachend weer op te staan.'

De verhouding van Beerta en Maarten is heel lang die van vader en zoon – een indruk die nog versterkt wordt door de paternalistische maniertjes van de Bureau-directeur (,,Ach jongen, je bent te zwaar op de hand'; ,,Je praat naar dat je wijs bent'). Maarten bewondert zijn leermeester, rebelleert van tijd tot tijd tegen wat hij ziet als Beerta's hypocrisie, maar verliest nooit zijn sympathie. Als Maarten aan het eind van deel 3 zijn vader begraaft op hetzelfde moment dat Beerta een beroerte krijgt (,,Anton is plankton geworden!'), is dat een toeval dat de geloofwaardigheid van de roman bijna geweld aandoet.

Met de ziekenhuisopname van Beerta (1975) begint een nieuw hoofdstuk in de relatie tussen Maarten en zijn surrogaatvader. In de eerste zeven jaar van hun samenwerking was Beerta `de Nederlandse versie van doctor Jekyll en mister Hyde', zoals Maarten het in een toespraak formuleerde; na zijn pensioen werd hij de sardonische grijze eminentie die op het Bureau bleef komen en Maarten allerlei tijdrovende klussen in de maag splitste. Maar nu Beerta half verlamd en afatisch is, wordt Maarten de sterkere partij, al maakt hij daar geen misbruik van. ,,Het praten met jou heeft iets van een quiz gekregen', zegt Maarten op een van zijn dinsdagse bezoeken tegen hem, met dezelfde aimabele vileinheid die ooit Beerta's specialiteit was. Maar Beerta zou Beerta niet zijn als hij zijn pupil niet af en toe nog op stang weet te jagen – bijvoorbeeld door zijn vaste vraag `Hoe zjazez obbez Buzjo?' één keer te vervangen door de seksuele invitatie `Zazje meeza bezj?'

Vanaf deel 4, dat begint in 1975, verandert Beerta in een bijfiguur. Zelden werd de oude zegswijze `Old soldiers never die, they just fade away' zo mooi geïllustreerd als in de rest van de cyclus. In deel 5 vermeldt de index hem nog maar 19 keer; een heel verschil met deel 1, waarin hij `passim' was. De gesprekken met Maarten worden steeds beknopter; op den duur leest hij de tijdschriften niet meer die voor hem worden meegebracht en maakt hij zelfs zijn brieven niet meer open. A.P. Beerta gaat dood in 1986, tegen het einde van deel zes. `Het Bureau' zal niet meer hetzelfde zijn.

In de bijlage Boeken een beschouwing over `Het Bureau' op pag. 3