Een eeuw voor de camera

`De cirkel is rond,' schrijft Neal Gabler (de Amerikaanse cultuurfilosoof die ik hier eerder geciteerd heb*). `Honderd jaar geleden zat het publiek ademloos te kijken naar de eerste films van de gebroeders Lumière. Ze zagen hoe in een station een locomotief tot stilstand kwam, of hoe ouders hun kind voerden. Grepen uit het dagelijks leven. Dit jaar hebben miljoenen zitten kijken naar zestien mensen die zich op een onbewoond eiland in leven hielden, of naar het coëxisteren van tien vrijwilligers in de containers van Big Brother. Een eeuw geleden zijn we begonnen met een direct, ongevernist realisme. Nu zijn we terug, bij een realisme dat licht gevernist is.'

Gabler stelt dan vast dat in de literatuur en het gespeeld drama de intrige, de plot, geleidelijk terrein verliest, ten gunste van wat constructieloos beschreven of vertoond wordt. Een intrige speelt zich af tussen een aantal personen, bestaat uit een reeks uit elkaar voortvloeiende handelingen waarvan sommige het publiek dusdanig verrassen dat het niet meer kan voorzien `hoe het afloopt', terwijl het juist daardoor bijna niet meer kan wachten tot het zo ver is. Het staat paf over daden van vermetelheid of lafheid; het hoopt, vreest, vereenzelvigt zich met een held, vat een afschuw tegen de schurk op, huilt mee in droefheid, roept waarschuwingen als de held bedreigd wordt, enz. Een intrige die deugt, is een onweerstaanbare uitnodiging om deel te nemen aan een voortdurend wisselende actie die naar een climax voert. Zo zit ieder verhaal tenslotte in elkaar.

Het realisme dat Gabler bedoelt, is er, zonder dat het zich verder ontwikkelt. Het realisme van vijf minuten geleden is principieel niet dat van een andere situatie dan het realisme van dit ogenblik. De aanblik ervan bevredigt, zonder dat er behoefte aan een voortgezette handeling wordt gewekt. Ik herinner me een beschouwing van Edmund Wilson over een bestseller uit de jaren vijftig, Forever Amber, van Kathleen Windsor. Het was, naar de maatstaven van die tijd, een van de eerste scabreuze romans. Bij de meeste romans, schreef Wilson ongeveer, moet de lezer het hebben van de ontwikkeling in de intrige. Dit boek is bedoeld voor lezers die het meest houden van de passages waarin de intrige tot stilstand is gekomen. Daar begint het realisme. Je kunt niet zeggen dat met de intrige de spanning verdwijnt. De sensatie van het lezen of kijken wordt van een andere orde. Het smullen begint. `Dat is smullen,' zegt men dan. Het smullen der smulpapen. Afzichtelijk.

Maar Gabler heeft gelijk. Het smullen, het pas op de plaats maken om meer van hetzelfde binnen te kunnen krijgen, is al lang in opmars. In Hollywood heeft het een enorme stap voorwaarts gemaakt door de vervolmaking van de special effects. Tornado's, overstromingen, afbrandende wolkenkrabbers, je hoeft niets te begrijpen om stokstijf aan je stoel genageld te blijven zitten, als je ervan houdt tenminste. Van realisme naar superrealisme. Er gebeurt ontzaglijk veel zonder dat er, menselijkerwijs gesproken, schot in zit - behalve dan dat er iemand gered wordt en anderen ten onder gaan, wat je de eerste minuten al hebt zien aankomen.

In het superrealisme op zichzelf zit een ontwikkeling. Heb je één wolkenkrabber zien afbranden, dan heb je ze allemaal gezien. Bij het superrealisme dreigt altijd de oververzadiging. Na de Titanic geen volgende oceaanreus. Met ontsnappingen via liftschachten, dwars door ontploffingen en vuurzeeën heen, kun je ook niet meer aankomen, na Alien 2, en onlangs Paul Verhoevens Hollow Man nog. Binnenkort komt er een film In den beginne, waarin we opnieuw de Rode Zee zich zien splijten, nóg overweldigender dan de vorige keren, om Mozes en de zijnen door te laten.

Daarom denk ik dat ook het Big Brother genre eerst een verdere escalatie zal veroorzaken (onderschat het vernuft dat zich in meer van hetzelfde uitput, niet) en dan vanzelf doodloopt. Het kan verder superfel realistisch worden, gruwelijk desnoods (je hoort ze het tegen elkaar zeggen: `Die moraal kan nog wel wat verder worden opgerekt'), maar de inflatie zit erin gebakken. En dan moet er weer iets nieuws worden gevonden om naar te kunnen kijken zonder dat je daarbij per se je hersens hoeft te gebruiken. Ook dat komt.

Blijft het verschil tussen de `ongeverniste' mensen die voor de camera van de Lumières verschenen, en de `licht geverniste' die Gabler noemt. Een vraagstuk van deze tijd - om er maar weer eens een te noemen - is: hoe komen de mensen van hun vernis af, nadat ze er nu, eigenlijk al een eeuw, sinds het verschijnen van de camera, steeds vaker mee worden besmeerd, tot het geen vernis meer is, maar ingebakken glazuur. `De geglazuurde mens'. Lijkt me een goeie titel voor een boek.