Dertig jaar overspel

Nu het zevende en laatste deel van J.J. Voskuils het Bureau is verschenen, kunnen we vaststellen wat de betekenis is van deze tijdloze kantoor-roman. Uiteindelijk draait alles om het huwelijk. Een ongelukkig huwelijk.

Met zijn eerste zin zet J.J. Voskuil, schriel, scherp en wonderlijk van eenvoud, de toon voor het zevende en laatste deel van Het Bureau, zijn ruim vijfeneenhalfduizend pagina's grote roman over Maarten Koning. Die zin gaat zo:

`,,Wat ga jij nou doen?' vroeg ze toen ze klaar waren met het ontbijt.'

Het is een doordeweekse ochtend. Maarten Koning zit thuis aan tafel, want in deel 7 is hij niet langer tweede man op het Volkskundig Instituut in het centrum van Amsterdam en hoofd van de afdeling Volkscultuur aldaar. Maarten Koning, de stuurse romanheld van een groot en constant leger van lezers, is na dertig jaar werken met pensioen gegaan. Dat wil zeggen, hij is met vervroegd pensioen. Met te vroeg pensioen. Want waar hij dacht onmisbaar te zijn, is hij overbodig. En ging hij er altijd prat op dat hij zinloos werk deed, nu maakt hij mee wat dat werkelijk betekent, zinloos zijn. Oud zijn is zinloos, oud zijn in een wereld die je naar de bliksem wenst, omdat niets wil blijven zoals het was en zoals jij het graag had.

Wat ga jij nou doen? De vraag komt van zijn vrouw Nicolien. Het antwoord is `niets', dat weet ze voor ze de vraag heeft gesteld en dus probeert ze hem aan zijn verstand te peuteren dat hij dat `niets' vooral buiten haar vaarwater moet uitvoeren.

Hij gaat langs bij het Bureau. Niet één keer, regelmatig. Briefje tikken, artikeltje corrigeren, drukproefje checken, want hij is dan wel met de vut, hij bestiert nog wel Het Bulletin. Even praten met zijn vroegere ondergeschikten. Net als thuis krijgt hij ook daar signalen dat zijn aanwezigheid hinderlijk is, zeker als hij als vanouds zijn ongezouten kritiek op hun werk spuit en commentaar levert op de werkwijze van zijn opvolger. Gewend als hij is aan een gespannen werksfeer, wil hij pas tegen het einde van dit deel 7 beseffen wat men hem op het Bureau steeds hardvochtiger duidelijk probeert te maken: dat weg echt weg is. Dat hij niet meer welkom is op het Bureau, dat hij er niet meer bij hoort. Dat ze blij zijn dat ze van hem af zijn, dat hij een plaag was en nu weer is, een stinkende reliek, op zijn best een aardige herinnering. Ophoepelen! Nu!

Maarten Koning droomt dat hij in zijn kist ligt. Op de klanken van Sidney Bechet die `Nobody knows you when you're down and out' blaast, wordt hij `uitgedragen'. Ik kende dat woord niet in die betekenis, maar een kenmerk van Voskuils vakmanschap is dat je zo'n woord direct verstaat en het ook nooit meer zult vergeten, ja, dat je het zelf zult gaan bezigen. Maarten ontwaakt. Tot zijn `oeverloze treurigheid' was zijn dood maar een droom. Dood is niet dood. Hij leeft en hij is met pensioen.

Dood maar levend: een ondode. Een zombie die, verdreven van thuis en werk, tochtjes maakt. Te voet door de stad, op de fiets door Nederland. Ze worden aangestipt, die winderige tochtjes. In meestal korte blokjes tekst beschrijven ze een blik op de natuur, het licht dat op een brug valt. Of ze beschrijven ergernis aan voorbijgangers, tenzij Maarten ze de juiste weg heeft kunnen wijzen. `Een geslaagd contact!' meldt het verslagje dan, alsof hij van een psycholoog bij het RIAGG de opdracht heeft gekregen zijn emoties onder woorden te brengen. De dagreisjes zijn vaak sentimenteel getoonzet, er zijn er te veel en ze profiteren te weinig van Voskuils zwartkomische opmerkingsgave. Zijn observaties snijden niet erg diep, zijn gedachten zijn alleen maar knorrig. Oftewel: ze leggen bloot dat Het Bureau 7, De dood van Maarten Koning niet op zichzelf staat.

Dat doet het ook niet. Het maakt als slotakkoord deel uit van Voskuils sinds 1996 in afleveringen gepubliceerde Het Bureau, dat een academische loopbaan tegen wil en dank beschrijft, tegen het decor van een dito leven van een stramme intellectueel. Vanaf nu kan Het Bureau in zijn geheel en achter elkaar worden gelezen, zoals aan te bevelen is voor elke roman, en dan zal blijken dat het één geheel is. De afzonderlijke delen kunnen niet apart worden gelezen, dan verliezen ze hun waarde.

Vanaf nu kan ook eindelijk worden vastgesteld dat Het Bureau met strikte hand is geschreven, in een stijl die zich laat vergelijken met de minimalistische choreografieën van Anne Teresa de Keersmaeker. Die beginnen heel anders dan ze besluiten, maar terwijl je ze ondergaat, vervoeren ze juist door hun monotonie – die achteraf dus schijn blijkt. Voskuil is op een vergelijkbare manier te werk gegaan. Het lijkt of ieder personage altijd gelijk blijft, gedefinieerd door één of twee tics en hebbelijkheden, gedoemd tot stilstand.

Inhoudelijk gesproken beantwoordt dit dwangmatig typeren aan de blik van de contactgestoorde man die Maarten Koning is. Alles en iedereen reduceert hij tot overzichtelijkheid, om zijn paniek te beteugelen. In deel 7 breekt die paniek los, en komt tot uiting hoe onvoorzien elk van de personages zich heeft ontwikkeld, met behoud van dezelfde elementen en definities en eigenschappen. Het is onder je ogen gebeurd, maar je ziet het pas achteraf, want de wijzigingen zijn zo minimaal dat de lezer dat niet door heeft voor hij zich geconfronteerd ziet met de daadwerkelijke verschuiving.

Deel 7 is minder grappig, minder hecht en larmoyanter dan zijn voorgangers, maar het valt niet buiten Het Bureau. Het zet een contrapunt dat noodzakelijk is, onvermijdelijk. Compositie en stijl worden, nu het Bureau-leven hem niet meer omhelst, bepaald door het strooigoed van Maartens doelloze dagreisjes, die af en toe goed zijn voor geluk per glimp, maar meestal deprimeren. Net zoals de rigide stijl dat heeft gedaan tot en met deel 6, weerspiegelt de los-zand-stijl van deel 7 de gemoedsgesteldheid van Maarten Koning: losgelaten, stuurloos draait hij in kringetjes en steeds moet hij zijn band plakken. Hij wordt een onmachtige, bejaarde man, die hunkert naar een praatje en het betreurt dat een toeriste de weg zoekt juist als hij uit het urinoir komt, want dan kan zo iemand je niet aanspreken.

Om de portee te peilen van Het Bureau 7 moet de draad worden opgenomen op de laatste pagina van Het Bureau 6, Afgang. Na het dineetje ter ere van Maartens afscheid loopt hij met zijn vrouw naar huis. Met tranen in zijn stem vertelt hij dat zijn collega's `een soort vrienden' zijn geworden nu hij hun baas niet meer is. Ja, hij voelde het, ze zijn altijd erg op hem gesteld geweest. Nicolien geeft eerst geen antwoord en komt dan met een diplomatiek `Ik weet het niet'.

De granaat is op die bladzijde tevoorschijn getrokken, maar hij lag al heel lang klaar, namelijk sinds een ander pensioen, dat van meneer Beerta, de titelheld van het eerste deel van Het Bureau en Maartens eigen directeur. Die meende ook dat zijn medewerker nu zijn vriend kon zijn. Na zijn afscheid suggereerde hij dat Maarten hem zou tutoyeren, maar die wimpelde dat voorstel koeltjes af: `Ik blijf maar gewoon meneer Beerta zeggen'. Niks vriendschap, daar moest hij niet aan denken en dat Beerta `diep gekwetst' leek te zijn door zijn antwoord, deed hem niets.

Dat was in deel 1. Pas nu, in deel 7, trekt Voskuil de pin uit deze granaat en plaatst de kleine bom in de handen van zijn argeloze hoofdpersoon.

`Mijn mensen' blijft Maarten Koning het gezelschapje noemen dat hij door de jaren heen een baan heeft bezorgd bij het Bureau, voor het bijhouden van bibliotheek, knipselarchief en kaartsysteem, voor deelstudies, alles ten behoeve van het wetenschappelijk in kaart brengen van volksgebruiken. `Mijn mensen' moeten doen wat hij zegt. Ze moeten zijn wat hij wil, daartoe heeft hij ze zorgvuldig geselecteerd. De ene na de andere moeizame figuur zagen we hem in dienst nemen en afschermen: angsthazen, lijntrekkers, sufkoppen, fanaten – niet omdat hij de kneuzen ook een kans wilde geven, maar om zijn persoonlijke filosofie gestalte te geven. Maarten Koning is een intellectueel wiens denken zich vormde onder invloed van het tijdschrift Forum dat de vent boven de vorm stelde en van Menno ter Braaks autistische eis aan de intellectueel om zich ultra-individueel en dus antimaatschappelijk op te stellen. Het consequent nastreven van deze idee maakte van Maarten een overtuigd nihilist. Juist daarom vervult hij, hij benadrukt het keer op keer en door heel Het Bureau heen, een betrekking bij juist dit instituut. Het onderzoek dat men hier doet, naar de verspreiding in zowel historische als geografische zin van volksgebruiken zoals het geloof in kabouters, is immers van elk belang verstoken.

Koning laat zijn nihilisme door anderen in praktijk brengen: hij selecteert ongeschikte medewerkers van wie iedereen kan zien dat ze de toch al zinloze arbeid zo slecht zullen uitvoeren dat die er nog zinlozer van zal worden. Zij zijn zinloos, omdat hij dat wil. Hoe hij tegen hen aankijkt loopt gaandeweg Het Bureau steeds sterker parallel aan zijn kitscherige kijk op de eenvoudige lieden, die studiemateriaal zijn van zijn afdeling. Heeft hij het over een boer, dan doelt hij op de romantisch-bucolische avondrust van de landman die in de avondzon op zijn erf zit te mijmeren. Een reëel idee van zweet en spieren heeft hij bij lange na niet. Op dezelfde manier kijkt hij tegen `zijn' mensen aan. Hij weet niets van hen af, kijkt van grote hoogte op hen neer als een baron op zijn horigen. Ze bestaan om zijn ideeën gestalte te geven en om een vertrouwde haag om hem heen te vormen, verder zijn ze van geen belang.

Onder dat nihilisme legde Voskuil een tweede explosief, een boobytrap. Maarten Koning maakt in deel 7 smalend bezwaar tegen een radicaal andere aanpak van zijn afdeling en zijn vak.

`Alsof ik lucht ben geweest', klaagt hij. Hè? Wat maakt dat uit, als dat vak zinloos is? En dat realiseert hij zich ook, want dan staat er: `Ondanks zijn scepsis over de betekenis van zijn werk, kon hij het toch niet verdragen dat het helemaal voor niets leek te zijn geweest.'

Kaboem. Kleine observatie, maar daar gaat de lof van de zinloosheid aan splinters, die Maarten Koning tegen beter weten in is blijven zingen tegen iedereen, of men het nu wilde horen of niet, van deel 1 tot en met deel 6. In een kleine zin, waar je zo overheen zou lezen, maar die het deficit van de hoofdpersoon bevestigt. Onomkeerbaar omdat hij zichzelf betrapt op een pose terwijl hij er zijn hele carrière op heeft gebouwd.

In de scène die daarop volgt, laat Maarten zich verleiden om voor gek te staan. Niet zomaar, hij imiteert Professor Unrath, de ongelukkige intellectueel die zich in Josef von Sternbergs film Der blaue Engel belachelijk maakt omdat hij snakt naar de nachtclubzangeres Lola-Lola.

Daar wordt, opnieuw superieur achteloos, onthuld wat het Bureau al die dertig jaren lang is geweest voor Maarten Koning. Een minnares was ze, een fatale vamp die hem nu ginnegappend de deur wijst. Hij dacht toch niet echt dat ze van hem hield? Welnee. 't Was leuk zolang het duurde, maar nu is er een ander.

Deze roman tekent langs de contouren van een bedorven carrière de geschiedenis van een bedorven huwelijk. Grafisch ontwerper Gerrit Noordzij, die de omslagen voor Het Bureau vormgaf, heeft dat ook begrepen. Van deel 1 tot en met 6 koos hij voor sobere kleurstellingen; voor deel 7 zette hij het gebouw van het Bureau in de donkere nacht en liet uit alle ramen roze licht stralen, zodat het eruit ziet als een verlokkelijke hoerenkast. Overspel heeft Maarten gepleegd met het Bureau, zijn vrouw heeft hij al die jaren bedrogen – dat is de bom die Voskuil met deel 7 onder het complete Het Bureau tot ontploffing brengt. Ook van deze bom was de lont al heel lang zichtbaar en Voskuil liet hem in Het Bureau 6 zelfs al een beetje smeulen en sputteren. Nicoliens onophoudelijk protest, haar praten met uitroeptekens, haar gedram, en haar geruzie, het werd alles niet voor niets zo uitvoerig opgetekend. Zij had de schijn tegen maar ze had gelijk. Ze had haar man allang door en in deel 6 sprak ze het zelfs uit:

`Je bent gewoon een eigen leven gaan leiden met dat Bureau en daar sta ik helemaal buiten. Ik had me ingesteld op een leven van allebei tegen de maatschappij. Ik wilde geen kinderen, jij wilde geen baan. (...)'

Zij hield zich aan de afspraak, ze verbeet haar aandacht voor de baby's die om hen heen werden geboren. Hij niet. Hij verraadde haar, liep zijn – papieren – pik achterna. Nu hij, afgewezen door de rivale, denkt dat zij geduldig op hem zit te wachten en blij zal zijn dat hij dan eindelijk altijd bij haar thuis blijft, vergist hij zich. Het hoeft voor haar niet meer: `Ik wil dat alles zo blijft als het is! Ik wil in mijn eigen huisje wonen! Ik was zo gelukkig in mijn eentje!'

Bij deel 7 zal er opnieuw tumult ontstaan over het al dan niet autobiografische karakter van het boek, want nog meer dan in de eerdere delen krijgen bepaalde personages ervan langs. Dat kan voor hen die model stonden een drama zijn, het feit op zichzelf is van klein en voorbijgaand belang. Wat ertoe doet en wat blijft is dat J.J. Voskuil met Het Bureau iets groots heeft geschapen, iets dat mij in de ban hield. Wat precies? De stijl, in de eerste plaats; het gebonk van die korte, vaak bijna dezelfde zinnen, hypnotiseerde me. Maar ook betoverde Voskuil met zijn personages, van wie ik, heel kinderachtig, steeds wilde weten hoe het verder met ze ging. Is dit eigenlijk wel literatuur, vragen andere lezers zich af en het valt me op dat dat vooral Voskuils collega-schrijvers zijn.

Ja. Dit is literatuur. En ik benijd de lezer die nu, vanaf regel 1 op pagina 1 van deel 1 (`,,Dag meneer Beerta,'zei hij') nog moet beginnen en het complete boek zonder onderbreking kan lezen.

Zie ook pagina 4

In het Cultureel Supplement, pagina 3: eerste deel van een portrettengalerij (meneer Beerta).