De woordenkralen gaan hun gang

Wat is poëzie? Een mooie definitie vind ik nog altijd deze, van Robert Frost: `Poetry is what gets lost in translation.' Het mooie is dat de definitie zelf iets ongrijpbaars en vluchtigs heeft, en dat zij daarin overeenkomt met wat zij poogt te definiëren. Ook poëzie lijkt nooit helemaal te vatten: de kern van de zaak, dat wat poëzie is, kan zomaar verdwijnen, ergens tussen twee talen vervluchtigen. Er hangt een zweem van magie en mysterie om deze voorstelling van zaken, de geest van tovenarij: wat eerst in de ene taal nog zonneklare poëzie was, is in de andere taal blijkbaar opeens in rook opgegaan.

Mooi is ook dat bijna iedereen aanvoelt dat deze definitie juist is, of dan toch in ieder geval een grote kern van waarheid bevat – maar dat niemand er de consequentie uit trekt. Want er wordt overal op de wereld nog altijd driftig poëzie vertaald. Zo komt het dat we nu in het Nederlands bijvoorbeeld de poëzie (of wat daar dan, overeenkomstig de definitie van Frost, in vertaling überhaupt nog van overblijft) van Erik Axel Karlfeldt, uit Zweden, kunnen lezen. En die van Gabriela Mistral (Chili), Carl Spitteler (Zwitserland) en Giosuè Carducci (Italië). Wat is de overeenkomst tussen deze vier dichters? Dat ze in de afgelopen eeuw alle vier de Nobelprijs voor literatuur hebben gewonnen. En: dat niemand dat nog weet.

Ze zijn samen met twintig iets bekendere Nobelprijsdichters opgenomen in de bloemlezing Honderd Jaar Nobelprijspoëzie, samengesteld door Erik Menkveld. In zijn vermakelijke inleiding staat hij natuurlijk ook even stil bij het probleem van de poëzievertaling, en bij wat een dichter dan zoal verliest: `heel wat van zijn rijm, zijn klank, zijn toon, zijn humor, zijn meerduidigheid en zijn meezingende culturele achtergrond.' Ik vrees dat hij daar gelijk in heeft, maar zou dat dan ook betekenen, zoals hij beweert, dat Hans Faverey in het Engels of het Frans opeens `een minder overrompelende dichter' is dan in het Nederlands? En hoe zou je dat eigenlijk ooit moeten vaststellen? Wat is de internationale eenheid voor overrompeling? Lastige vraag. Vervolgens stelt Menkveld een nog lastiger vraag: hoe goed zou Joseph Brodsky eigenlijk in het Russisch zijn? Waarna, bij wijze van antwoord, deze merkwaardige bekentenis volgt: `In het Nederlands vind ik hem zelden beter dan zijn vertalers.' Dat is een wel heel geheimzinnige uitspraak. Hij suggereert subtiele kennis en diep doordenken (let op de nuance-ring met `zelden'), maar misschien is het ook niet meer dan een aalgladde tautologie. Hoe zou dat er uit moeten zien: een dichter die in een vreemde taal beter of slechter is dan zijn vertalers? En wordt, logisch doorgedacht, een dichter slechter naarmate hij betere vertalers treft? Zou Brodsky in een andere taal wel beter dan zijn vertalers zijn?

Vlak erna las ik een essay van Craig Raine (uit 1996, opgenomen in zijn net verschenen essaybundel In Defence of T.S. Eliot – zie ook Boeken, pagina 6) waarin hij kort gezegd ook nog eens de vloer aanveegt met het Engels van Brodsky. Mooie boel. Het gaf mij, als liefhebber, een wel heel onthand gevoel. Wat blijft er nog van Brodsky over als zijn Nederlands blijkbaar niet deugt, en zijn Engels ook al niet, terwijl ik zijn Russisch niet kan lezen? Het stemde weer eens treurig: de wetenschap dat er tussen de verschillende talen zoveel poëzie verloren gaat en dat er voor het probleem van de poëzievertaling inderdaad geen bevredigende oplossing is. Behalve dan misschien dit gekscherende voorstel van Menkveld: `Vanaf heden moeten alle goede dichters die er op de wereld zijn verplicht worden alleen nog maar in het Esperanto te schrijven.' Dan zou bovendien eindelijk tot Stockholm kunnen doordringen dat er ook in bijvoorbeeld Korea, Hongarije, Nieuw-Zeeland en Nederland Nobelprijsdichters rondlopen.

Intussen bladerde ik nog maar eens door Ex Ponto, een nieuwe bloemlezing uit de poëzie van Brodsky, en werd getroffen door dit gedicht, uit 1978, vertaald door Peter Zeeman:

EEN POOLREIZIGER

Alle husky's zijn verorberd. Het

dagboek blijkt

vol te zijn. Maar de woordenkralen gaan hun gang

op de foto van zijn eega; als een moesje prijkt

de vermoedelijke datum op haar wang.

Nu het kiekje van zijn zus. Hij spaart er niet een:

vermeld moet immers de bereikte breedtegraad!

En gangreen kruipt omhoog in zijn been,

als de netkous van een meid die op de bühne staat.

Husky's zijn sleehonden. Uit het feit dat ze zijn opgegeten valt af te leiden dat hier een poolexpeditie hopeloos mislukt is. We zien een eenzame poolreiziger, gestrand in de sneeuw, met de dood in zicht, ziek, wanhopig trachtend zijn angst en zijn pijn te dempen door maar aantekeningen te blijven maken, op het laatste papier dat nog voorhanden is. Is het wetenschappelijk fanatisme dat hem tot de laatste snik de datum en de breedtegraad doet noteren, of gewoon waanzin? Er schuilt ook iets van kannibalisme in, in dit volkrabbelen van de foto's van de familie. Intussen wordt hij zelf ook verteerd, door het gangreen. `En gangreen kruipt omhoog in zijn been': mooie regel, in het Nederlands althans. Weefselversterf, door de poolreiziger vermoedelijk al niet meer opgemerkt. Gevolgd door een nog mooier beeld, volledig misplaatst, maar daarom des te schrijnender: `als de netkous van een meid die op de bühne staat.'

`Een poolreiziger' mag dan misschien geen poëzie meer zijn, of geen poëzie van Joseph Brodsky, maar verder is er weinig mis mee. Op de uitspraak van Frost dat poëzie datgene is wat in de vertaling verloren gaat, dient dan ook nog steeds de montere tegenwerping van D.J. Enright te volgen: dat er zonder vertalingen nog veel meer poëzie verloren gaat.

Joseph Brodsky: Ex Ponto. Gedichten 1961 - 1996. Ingeleid en gekozen door Peter Zeeman. Vertaald door Peter Zeeman e.a. De Bezige Bij. 184 blz. ƒ49,90.

Honderd jaar Nobelprijs-poëzie. Samenstelling en inleiding Erik Menkveld. Meulenhoff. 144 blz. ƒ20,–