De Grote Satan

De ècht belangrijke onderwerpen van deze tijd werden onlangs aangesneden door H.J.A. Hofland, schrijft Rudy Kousbroek. ,,De commercie is de vijand van alles, ook van zichzelf.''

Is er in onze cultuur iets op een fundamentele manier aan het veranderen? Over deze prangende vraag verscheen in het CS een serie van zes artikelen van H.J.A. Hofland onder de titel: `Waar is er nog gevaar?'

,,Misschien is het werkelijk waar'', schreef Hofland, ,,en dan moeten we de feiten onder ogen zien: misschien is onze beschaving bezig een nieuw systeem te ontwikkelen; niet zomaar een nieuwe mode of stroming, maar `iets' blijvends. Iets dat alles raakt: de staat, de politiek, het denken, kunst, literatuur, illusies en idealen, de omgangsvormen, de mensen zelf, hun tijd van leven.''

Niet een onbeduidende kwestie; wat mij het meest intrigeert is dat deze publicatie geen polemieken heeft uitgelokt. Alsof er aan een druk strand werd omgeroepen dat er een haai is gesignaleerd en niemand komt het water uit. En dat terwijl in dezelfde periode een onbenullig verhaal over de functie van het christendom als waarheidscriterium (`Tegen het relativisme de waarheid', door André Rouvoet, NRC Handelsblad 17.10.00) meerdere reacties heeft uitgelokt.

Ik zei dat het mij verbaast, maar dat is bij wijze van spreken. Ik heb mij al vaker vrolijk gemaakt over hoe in de postmoderne wereld heroïsch wordt geworsteld met schijnproblemen, terwijl over werkelijk verontrustende kwesties vaak als bij afspraak wordt gezwegen.

Een recent voorbeeld is dat op het hoogtepunt van het varkensdrama, toen er dagelijks tienduizenden biggen en varkens werden gedood, de Dierenbescherming een grootscheepse campagne ontketende tegen het klonen. En nu is er weer net zoiets met Greenpeace, dat zojuist een stormloop is begonnen tegen genetisch gemodificeerde gewassen, terwijl er geen gebrek is aan werkelijk urgente en catastrofale ontwikkelingen, zoals de overbevissing.

In de dagen van het communisme hoorde je wel de beschuldiging dat het grootkapitalisme dit of dat deed `om de aandacht van de uitbuiting van het proletariaat af te leiden', maar je zou haast geloven dat er hier werkelijk zo'n opzet bestond. Er zijn uit voorraad uiteenlopende voorbeelden van te geven, soms berustend op tegenstrijdige normen – bijvoorbeeld het feit dat expliciete voorbeelden van discriminatie van joodse of islamitische zijde stilzwijgend opgevat worden als vallend onder de vrijheid van godsdienst of meningsuiting. Zo ook de openlijke aansporingen tot misdaad, geweld, verkrachting en vernedering van vrouwen in de rapmuziek, die ongemoeid worden gelaten in naam van de vrijheid van artistieke expressie. Toen de vrouw van vice-president Gore daar enkele jaren geleden tegen in verzet kwam, werd dat ontzenuwd door het voor te stellen als kleingeestige bekrompenheid, een pleidooi voor censuur; naar het schijnt geniet Gore als gevolg hiervan nog steeds weinig aanhang in Hollywood.

Het is dan of er een kwade trouw in het spel is die iedereen zien kan maar door niemand genoemd wordt. Wat ook frappeert is hoe er vaak bewust misbruik gemaakt wordt van het ontbreken van wetenschappelijke kennis bij het grote publiek, op de manier van: mensen, laat je niet inenten want ze willen je vergif in de aderen spuiten. Soms lijken het onderdelen van een systematische hersenspoeling: de campagne van de Dierenbescherming over het klonen was pure bangmakerij en die van Greenpeace tegen genetisch gemanipuleerd voedsel zo mogelijk nog meer. Uit mijn hart gegrepen was de ontboezeming van Ronald Plasterk in de Volkskrant: ,,..Greenpeace is al lang de club niet meer die dapper vecht voor het leven van de walvissen, maar een stel cynici dat probeert in te spelen op angsten..'' maar zulke reacties zijn zeldzaam, het algemene patroon is doen alsof het niet bestaat.

Zo zijn er veel dingen die tot mijn stomme verwondering geen enkele reactie oproepen, met als meest verbluffende voorbeeld paus Johannes Paulus II, die in ernst verkondigt dat de Heilige Maagd zijn leven heeft gered door de kogels die op hem werden afgevuurd uit hun baan te buigen. Een paar van die kogels zijn als relieken in een Mariabeeld ondergebracht en van tijd tot tijd verschijnen er reportages in de pers over hoe de paus bij dat beeld gaat bidden. Elk detail in dat verhaal is bizar en iedere keer dat het in het nieuws komt, verbaas ik mij erover dat dit in de 21ste eeuw bestaan kan zonder dat de betrokkene zich de risee maakt van de beschaafde wereld. Maar het gebeurt, niemand reageert, zulke dingen worden niet meer naar criteria van rede en verstand beoordeeld, maar naar subjectieve en persoonlijke maatstaven – op `gevoelswaarde', het is iemands `eigen waarheid' (die ook niet in twijfel getrokken mag worden want dat is `kwetsend' etc). Hofland heeft het over amusementswaarde en Dubravka Ugresic citeert Milan Kundera, die voorspelde dat de broederschap op deze wereld bereikt zal worden dankzij kitsch.

Kitsch is nu een verouderd woord, schrijft Ugresic (in een hoofdstuk uit haar volgende boek, Verboden te lezen, gepubliceerd in Vrij Nederland van 7.10.00), jongeren kennen het al niet eens meer. Ook Hofland gebruikt het niet, hij volgt in zijn woordgebruik de Amerikanen, die het hebben over `entertainment', `pleasure' en `having fun', aansluitend bij dat abjecte begrip, `lifestyles'. Ook Bas Heijne signaleert de term `entertainment', zie bijvoorbeeld het essay `Taakstraf' in zijn bundel De wijde wereld.

Ik herinner mij hoe Simon Leys in de heroïsche dagen van het zogenaamde Chinadebat, 25 jaar geleden, al de aandacht vestigde op Orwells sombere prognose dat censuur op den duur overbodig zou worden als gevolg van het verarmde communistische taalgebruik: de gecensureerde begrippen zouden op den duur niet eens meer worden begrepen. Dissidente opvattingen zouden verhuizen naar het domein van de onzegbaarheid. Die verarming wordt overigens ook veroorzaakt door gewoon slecht onderwijs.

Ook ik heb meer dan eens, en niet helemaal in scherts, van de kansel gewaarschuwd dat er geen weg terug meer zal zijn vanaf het moment dat de eerste generatie gevormd door de Mammoetwet zelf voor de klas zal komen te staan (zoals intussen het geval is).

Van Orwells gedachte bestaat ook een huxleyaanse versie, eveneens door Ugresic beschreven: boeken verbieden wordt overbodig omdat de mensen uit zichzelf al niet meer lezen, of in elk geval niets waar inspanning voor nodig is; Huxley zag in het verschiet `een triviale cultuur, slechts geïnteresseerd in een equivalent van primaire lustgevoelens en onzinnigheden'. Hij `vreesde dat de waarheid ten onder zou gaan in een zee van irrelevante bijzaken'.

Ik vermeld het in tranen, maar ik denk dat dit laatste werkelijk het scenario is van wat er nu gebeurt. Hofland schrijft: ,,De weloverwogen toepassing van de theatertechnieken op de politiek, de godsdienst, het nieuws, opvoeding, literatuur, handel, oorlog, misdaad, alles, heeft deze bedrijvigheden veranderd in vertakkingen van de show business, waar het enige doel bestaat uit een publiek te trekken en dit tevreden te stellen.''

Dit lijkt mij juist en het moment is gekomen om te zeggen dat het een verschrikking is. Hoe is het ontstaan, waar komt het vandaan, hoe komen we er aan? Waaraan, aan wie hebben wij dit wonder in feite te danken?

,,Het heden van de westelijke beschaving is hoe langer hoe meer het Amerikaanse heden'', schrijft Hofland, en ook dat lijkt mij boven twijfel verheven. Het land waar de dageraad van deze nieuwe cultuur het eerst gloorde is zonder enige twijfel Amerika; het is een exportartikel en dat is waarom ik aan dat `Amerikaanse heden' geen boodschap meer heb.

Amerika is het land dat zich laat regeren door tweederangsacteurs, mentale dwergen die horoscopen raadplegen (en vervolgens een historische overwinning behalen op wat generaties lang als de meest gevreesde en levensgevaarlijke ideologie uit de geschiedenis werd beschouwd); over de merites van Amerika zal ik het verder niet hebben, die veronderstel ik bekend, maar voor de rest moet me van het hart dat Ayatollah Khomeiny gelijk had, een profeet, een ziener: Amerika is de Grote Satan, alles wat slecht is komt uit Amerika.

Amerika – laat mij nu ook eens een `eigen waarheid', een `waarheid van het gevoel' belijden (en tegenspraak is dus verboden want mijn gevoelens mogen niet gekwetst worden) – Amerika is het land van de luide praters in de bioscoop, het land van de imbeciele gelovigheid, het land van de doodstraf, van de anti-abortusijveraars, van de preutse griezels; het land van de mensen die eten en denken als kinderen, van fast food, van de eufemismen, van de geschiedvervalsing, van het `popular' willen zijn van schoolkinderen, van de huwelijksrace, van de chairpersons en de spokespersons, van uitroepen als `I feel your pain', van het soort Engels dat in de rest van de wereld zo'n aantrekkingskracht op domoren uitoefent en van de muzak; het land van de sinistere uitroep `freeze!', van het wapenbezit en het schorum van de National Rifle Association; van het naïeve geloof in rijk worden, van de grootste CO2-uitstoot ter wereld en de weigering er iets aan te doen, van de macht van de farmaceutische industrie, van de abominabele gezondheidszorg waar de rijken niet aan mee willen betalen, het land van het onbegrensde egoïsme; het land van de zakenmannen, van de managers, van de blinde verering van het marktmechanisme.

Het marktmechanisme, eindelijk, we zijn er. Van Hofland is deze strijdkreet: ,,De vrije markt is in haar anonimiteit de grootste vijand van de literatuur, de kunsten en het onafhankelijke denken'' – een strijdkreet inderdaad waard om te weerklinken in veld en beemd, in plaats van te worden beantwoord met stilzwijgen, zoals nu. Daar hadden misschien de vijf volgende afleveringen ook over moeten gaan. Dat geloof in het vrije marktmechanisme is een werkelijke bedreiging, niet alleen om wat Hofland zo schitterend beschrijft als de `afgronden van talentloze narigheid' maar ook om het welzijn in de gewone civiele wereld – het openbaar vervoer, de universiteiten, de natuur, de politiek.

Wat is het doel van de politiek? Ons te beschermen tegen de zakenmannen, zo luidt het antwoord dat ik wel vaker heb gegeven, maar het is helaas niet het gevleugelde motto geworden dat mij voor ogen stond.

Dat is trouwens ook weer zo'n wereldraadsel: hoe komt het dat niet iedereen zo langzamerhand wel inziet dat het een weergaloze ramp wordt met dat vrije marktmechanisme? Hoe bestaat het dat de mensen niet zien hoe alles achteruit gaat dat aan die vraatzuchtige afgod wordt opgeofferd, de spoorwegen, de posterijen, de universiteiten, het onderzoek, dat alles verslechtert, dat alles inefficiënt en duur wordt, niet alleen diensten in het algemeen belang maar alles; hoe komt het dat de bedrijven die nu massaal mensen ontslaan niet geconfronteerd worden met het arrogante gekraai dat ze nog kortgeleden bij hun overnames en emissies lieten horen – het is of de mensen het alweer zijn vergeten, of misschien denken ze dat het toch niet helpt.

Waarachtig, als ik het voor het zeggen had, kregen we zo gauw mogelijk weer een Staatspostkantoor, Staatsspoorwegen, Rijksuniversiteiten, met Hoofdletters, en een Publieke Sector met een Ruggegraat zonder n.

Denk ook aan de gedisproportionele, werkelijk astronomische kosten van de Presidentsverkiezingen, daarginds bij de Grote Satan, allemaal omwille van de vrije markt: wat een verspilling – en wat een unfaire behandeling voor de enige Presidentskandidaat die de mensen de waarheid vertelde in plaats van de beschamende inaniteiten en de gehuichelde vroomheden van de grote twee.

De commercie is de vijand van alles, en dus ook van zichzelf. Het is een schouwspel dat telkens weer te zien is wanneer er ergens iets gereorganiseerd of vernieuwd wordt; je ziet het lichaam dat er aan onderworpen wordt bij iedere volgende reorganisatie verder verslechteren, als een patiënt in de Middeleeuwen wie door dokters met zwarte hoge hoeden de ene aderlating na de andere wordt voorgeschreven, telkens is het niet genoeg geweest en dan moet het dus nog eens; je verbaast je over het kortzichtige en het arbitraire van de maatregelen die genomen worden, over het slachten van de kip die de gouden eieren legt, en ziet hoe de ondergang ten slotte onafwendbaar wordt.

Bij kranten en tijdschriften is het vaak spectaculair: reorganisaties zijn daar bijna altijd een verarming. Ik heb er verschillende voorbij zien stormen, maar nog nooit heb ik meegemaakt dat gezegd werd: we moeten ons meer tot belezen en kunstzinnige mensen richten, (al is dat natuurlijk een groep die geen enkel recht heeft); de inhoud is te oppervlakkig, we gebruiken te weinig moeilijke woorden; we moeten de krant elitairder maken!

Het beginsel, zelfs voor een publicatie die zich specifiek tot de lezende bovenlaag richt, is altijd dat de dingen gemakkelijker en toegankelijker voor `de gewone man' moeten worden gemaakt – minder abstract, minder geleerd, minder subtiel, niet met van die moeilijke woorden. Onbegrijpelijk vaak wordt de deur opengezet voor de `talentloze narigheden' waar Hofland het over had, meestal bedoeld om `jeugdige lezers' aan te trekken, want Jeugd! Jeugd! is een schuilnaam voor commercie, dat is een geheim dat nog niemand ontdekt heeft. En dat pakt dan altijd verkeerd uit, want Jeugd! Jeugd! houdt niet van lezen, terwijl de mensen die wel lezen eerder afhaken bij de oppervlakkigheden die ze nu voorgeschoteld krijgen.

Het is waar, deze gang van zaken is niet nieuw en niet specifiek Amerikaans, maar ik denk net als Hofland dat de uit dat land komende bevrijding bezig is een situatie in het leven te roepen die nooit eerder bestaan heeft. Dat besef is ook min of meer te vinden bij schrijvers als Dubravka Ugresic, bij Bas Heijne, bij Michel Houellebecq en nog een paar. Het enige dat ons kan beschermen – tegen de zakenmannen, tegen de managers, tegen het geloof in de vrije markt, is de politiek.

Wat is het doel van de politiek? Ons te beschermen tegen de zakenmannen

Jeugd! Jeugd! is een schuilnaam voor commercie