De bloeitijd van het stadsgezicht

In een merkwaardig schilderij uit de tweede helft van de 16de eeuw lijkt het wel of Antwerpen een dubbelgangster heeft in een ver land. De voorgrond van het paneel laat Christus zien die Mattheüs oproept hem als apostel te volgen. De anonieme schilder heeft de bijbelse episode geplaatst in een landschap met rotsformaties, palmbomen en exotische vogels. Het landschap leidt naar een rivier die, naarmate het oog verder naar de achtergrond dwaalt, steeds meer op de Schelde gaat lijken. De stad aan de overkant van het water is duidelijk herkenbaar als Antwerpen, met haar rede aan de Schelde, en daarachter de torens van de Burchtkerk, de Sint-Michiel en in het midden die van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Dat feest van herkenning wordt echter weer tenietgedaan door het heuvelachtige landschap met hoge rotspieken, dat zich achter de stad uitstrekt tot aan de horizon. Deze Roeping van Mattheüs vertegenwoordigt een scharnierpunt in de ontwikkeling van het topografisch gezicht in de 16de en 17de eeuw die de tentoonstelling Met passer en penseel illustreert.

Herkenbare stadsgezichten komen als decor van historiestukken voor vanaf de renaissance. Maar de steeds groeiende aandacht voor het precieze uiterlijk van steden leidt in de loop van de 16de eeuw tot het ontstaan van een nieuw topografisch genre. Het geschilderde stadsgezicht zou in de Nederlanden in de 17de eeuw tot een ongekende bloei komen in werk van schilders uit Amsterdam en Haarlem, zoals Gerrit Berckheyde en Jan van der Heyden. Misschien is daarom de productie van werken van dit type in de Zuidelijke Nederlanden altijd veel onbekender gebleven. De tentoonstelling in Brussel en de bijbehorende catalogus besteden er voor het eerst uitvoerig aandacht aan. De expositie en het lijvige boek concentreren zich op de topografische schilder- en tekenkunst in het hertogdom Brabant, dat zich – tot aan 1648 – uitstrekte van Nijvel in het zuiden tot 's-Hertogenbosch in het noorden.

De aandacht voor dit gebied ligt eigenlijk voor de hand, want de oorsprong van topografische voorstellingen moet juist daar worden gezocht. Omstreeks 1530 legden Jacob van Deventer en Gemma Frisius aan de universiteit van Leuven de grondslag voor de wetenschappelijke cartografie. In het kielzog van hun activiteiten produceerden landmeters en cartografen, tekenaars, schilders en prentmakers een enorme hoeveelheid kaarten, maar ook stadspanorama's, vogelvluchtgezichten en portretten van afzonderlijke gebouwen. De voorbeelden die de expositie daarvan toont, maken duidelijk hoe weinig onderscheid er destijds bestond tussen technicus en kunstenaar.

Het grote, drie meter brede schilderij dat Jan Baptist Bonnecroy omstreeks 1664-65 maakte toont bijvoorbeeld een gezicht op Brussel, gezien vanuit een fictief hoog standpunt. Duidelijk zichtbaar op de voorgrond zijn de stadswallen en de uitvalswegen. Binnen de muren zijn, temidden van een massa huisjes, de belangrijkste monumenten van de stad weergegeven. Waarschijnlijk heeft de schilder van elk van die gebouwen een aparte tekening gemaakt en die later, verhoudingsgewijs te groot, in zijn compositie ingepast. De atmosferische effecten van de schaduw die de wolken werpen op de stad zijn in dit werk geslaagd te noemen, maar het geheel is toch vooral een gortdroge, pijnlijk minutieuze weergave van een zee van geveltjes en schoorsteentjes.

Visueel aantrekkelijker zijn kleinere schilderijen en tekeningen die uiteindelijk weinig met de cartografie hebben uit te staan. Het zijn in zekere zin complementen van de topografische landschappen en stadsgezichten zoals die in de 17de eeuw in de Noordelijke Nederlanden werden gemaakt. Veelzeggend is misschien ook dat veel van de beste werken wel Brabantse plaatsen uitbeelden, maar toch gemaakt zijn door kunstenaars van elders: de Hagenaars Constantijn Huygens II en Valentijn Klotz bijvoorbeeld, of de van oorsprong Haarlemse schilder Hercules Seeghers.

Het opvallendst is een groep van 33 tekeningen met gezichten op Brussel en omgeving van de Toscaanse meester Remigio Cantagallina. Hij verbleef in 1612-13 in Brabant, waarschijnlijk in het gevolg van de edelman Alexandre de Bournonville. In meer dan honderd nu eens uiterst minutieus, dan weer veel vrijer uitgevoerde tekeningen heeft Cantagallina de stad en allerlei bezienswaardige gebouwen in haar omgeving vastgelegd. In veel bladen heeft de kunstenaar zichzelf weergegeven, op de rug gezien, zittend op de voorgrond en met het schetsboek op schoot, als om zijn publiek ervan te overtuigen dat al die plaatsen werkelijk bestaan en naar het leven zijn geobserveerd en getekend.

Tentoonstelling: Met passer en penseel; Brussel en het oude hertogdom Brabant in beeld. Koninklijke musea voor schone kunsten van België; Museum voor Oude Kunst. Regentschapstraat 3, 1000 Brussel. T/m 17/12. Open di-zo 10-17 uur. Cat. 326 blz. Inf 0032 02 5083211; www.fine-arts-museum.be.