Alles op de helling

Nederland ging op de schop in de jaren vijftig. Uit de wederopbouw kwam het land blakend van zelfvertrouwen tevoorschijn. Maar hoezo jaren vijftig? Begonnen de jaren zestig niet al eind jaren veertig?

Ongeveer eenderde van de vijfhonderd rijkste Nederlanders, zoals verzameld door het vrolijke zakenblad Quote, heeft zijn rijkdom te danken aan de lange jaren zestig. De eerste vier waren vóór 1950 al gewaardeerde pijlers onder de nationale volkshuishouding. Maar op de vijfde plaats staat de eerste held die het succes van de periode daarna belichaamt: Frits Goldschmeding (vier miljard), oprichter van Randstad Uitzendbureau, een avant-gardist die genadeloos profiteerde van de spanningen bij de overgang van productie- naar consumptiekapitalisme in Nederland. Even verderop in de toptien staan twee andere helden van de jaren zestig: John de Mol en Joop van den Ende (drie miljard), de entertainers die het culturele succes van de Nederlandse Revolutie letterlijk voor hun rekening hebben genomen.

Er is amper misverstand mogelijk. De lange jaren zestig, zoals ik ze zelf noem, zijn naar Nederlandse maatstaven revolutionair geweest. Ze beslaan een kwart eeuw, van 1948 tot 1973, en onderscheiden zich alleen al daardoor van de `korte' jaren zeventig, tussen 1973 en 1981. Alles veranderde in die periode overal tegelijkertijd. Het is dus tijd om deze revolutie aan een historische synthese te onderwerpen. De socioloog Kees Schuyt en de architectuurhistoricus Ed Taverne hebben zich van die taak gekweten in 1950. Welvaart in zwart-wit, dat deze week is verschenen. Hun boek is het derde in een reeks cultuurhistorische `IJkpunten'. Eerder verschenen studies over de periode rond 1650 (de Gouden Eeuw) en 1900 (de opmars der burgerlijke cultuur). Het ijkpunt 1800 (de overgang van de zeven provinciën naar één natie) zal de serie volgend voorjaar completeren.

Anders dan de eerdere auteurs hebben Schuyt en Taverne het jaartal 1950 niet opgevat als het middelpunt van een historische ontwikkeling maar als het begin van een kwart eeuw die in tweeën te splitsen is: de eerste vijftien jaar waarin de Nederlander slechts durft te pootjebaden en de laatste tien wanneer dezelfde Nederlander hartstochtelijk de branding van de volle zee opzoekt.

Terecht. Want wat is er sinds 1950 in Nederland eigenlijk niét veranderd? Verdraaid weinig! Over de hele linie barstte het land na het verlies van Indië open. Vlak na de oorlog was Nederland een introverte, bijna autistische, natie. Toen het kabinet-Den Uyl 25 jaar later op de trappen van paleis Soestdijk stond, bleek Nederland een extraverte, welhaast exhibitionistische, maatschappij te zijn geworden die zich in het voorste gelid van de wereld waande.

De basis lag, zoals vaker, in de economie. Weliswaar markeerde de oorlog geen harde breuk in het sociaal-economische denken in Nederland, maar de naweeën van de bezetting dwongen onmiskenbaar tot politieke interventie. Dit compromis tussen kapitalisme en planologie mondde volgens Schuyt en Taverne uit in een `economisch-technisch bolwerk' van netwerken, dat nu `poldermodel' heet. Dat bleek goud waard. De ondernemers zorgden voor productie en dus voor arbeid. De vakbonden leverden lage lonen. De overheid tenslotte bekommerde zich om infrastructuur, van het baggeren in de Rotterdamse `schutsluis' van Europa tot het opstellen van een Deltaplan.

Bijna alle partijen geloofden die eerste tien jaar in de heilzame werking van `tucht en ascese', in het vruchtbare mengsel van centraal `gezag' in een decentrale `gemeenschap'. De dollars uit de Marshallhulp hielpen nog een handje. Na 1960, toen de geleide loonpolitiek moest worden losgelaten om te voorkomen dat de productiviteit, en dus de groei, zou stagneren, werd dit macro-economische `wonder' ook in de eigen portemonnee tastbaar.

Ondertussen was in nagenoeg gemeen overleg ook de eerste hand gelegd aan een sociaal wonder. Nadat KVP-leider Romme zijn vooroorlogse verzet tegen een collectief staatspensioen had laten varen onder druk van zijn jonge partijgenoot Veldkamp, werden de contouren van de latere `verzorgingsstaat' zichtbaar. Veldkamp was de spil in dit proces. Maar politiek gezien waren alle grote partijen verantwoordelijk voor het ontstaan van de verzorgingsstaat of, naar hedendaags inzicht, daar schuldig aan. Voor de architectuur tekenden sociaal-democraten en confessionelen, voor het bouwen de confessionelen en liberalen. De centrumrechtse kabinetten tussen 1959 en 1973 maakten af wat de rooms-rode coalities hadden voorbereid. Eerst werden de risico's uitgebreid: de AOW als eeuwige kroon op het hoofd van Drees. Vervolgens werd het aantal trekkers opgerekt, waardoor burgers die zelf geen cent hadden betaald ook gingen profiteren: de bijstand van minister Klompé (ook KVP). En tenslotte kon het aantal sectoren uitdijen: van studiebeurzen tot huursubsidie.

Dat was minder gek dan het nu lijkt. Huisvesting en onderwijs waren namelijk cruciale problemen. Na 1955 werd de woningnood erkend als een prioriteit. Wilde de Nederlander de levensstandaard van de sovjetburger (één gezin per kamer) echt ontstijgen, dan moest er gebouwd worden. In 1963 beloofde het confessioneel/liberale kabinet-Marijnen dat de schaarste in 1970 zou zijn overwonnen. Eerst gingen de woningen de hoogte in: op `monumentale wijze vorm gekregen' in de Bijlmermeer, aldus Schuyt en Taverne. Later werden ze in de breedte uitgelegd: `een huisje in het groen'. Ook hier nam de KVP het voortouw met haar ministers Witte en Bogaers alsmede staatssecretaris Schmelzer van Bezitsvorming – na diens inspirerende leiding zou de al bestaande hypotheekrenteaftrek een ongekende vlucht nemen. Dat de ontvolking van de stad ook nadelen had, werd pas aan het eind van de jaren zestig onderkend.

Ook het negentiende-eeuwse onderwijsbestel was een blok aan het been van een modern land. Voor de oorlog had minister van Onderwijs Bolkestein al vastgesteld dat er op de lagere school te vroeg en te hard werd geselecteerd. Na de bevrijding borduurden zijn opvolgers daarop voort. Het systeem spoorde niet meer met de eisen van de dynamische welvaartstaat. De standenmaatschappij op school was een sta-in-de-weg voor de vooruitgang. De arbeiders moesten hun hoofd leren gebruiken en de intelligentsia diende juist wat te proletariseren. De oplossing werd gezocht in het curriculum. Dit project stond volgens Schuyt en Taverne haaks op het Franse voorbeeld. In Frankrijk poogde men zoveel mogelijk beweging van onderop te stimuleren zonder de `hoge intellectuele ambitie' van het onderwijs op te geven. In Nederland daarentegen hield men de `hiërarchie van de schoolsoorten intact' en moest men dus `concessies doen aan de intellectuele eisen'.

En wederom was het de KVP die, nu in de persoon van Cals (tussen 1950 en 1966 respectievelijk staatssecretaris, minister en premier), de drijvende kracht leverde voor de modernisering. Met zijn Mammoetwet – die overigens niet meer dan 15 velletjes besloeg – moest Cals tegen meer tegenstand opboksen dan zijn partijgenoot Veldkamp in de sociale sector. Zijn coalitiepartners in VVD, CHU en (gedeeltelijk) ARP stemden in 1962 tegen de wet. Maar de PvdA redde Cals vanuit de oppositiebankjes. Ruimere toegang tot het onderwijs was voor de sociaal-democraten belangrijker dan omzien in wrok naar de val van het laatste kabinet-Drees in 1958.

Nederland stond begin jaren zestig dus mooi in de steigers. Er werd gebaard, er werd opgevoed, er werd gestudeerd, er werd gewerkt en er werd eindelijk ook geld verdiend. Er bleek zelfs aardgas in de grond te zitten. Bermtoerisme op de nieuwe vrije zaterdag werd vanzelfsprekend. Buitenlandse vakanties waren nog slechts een kwestie van tijd. Nederland was klaar voor een grote en rechtlijnige sprong voorwaarts.

Ware het niet dat er met de Marshall-dollars ook iets anders was geïmporteerd: een `American way of life' in zowel de harde als zachte sector. Na het `productiekapitalisme' dook medio jaren vijftig het `consumptiekapitalisme' op. Daarmee werd `de consument uitgevonden', aldus Schuyt en Taverne. De `welvaart in zwart-wit' kreeg eerst grijstinten en daarna zelfs kleur.

Zie de televisie. In de eerste tien jaar van de Nederlandse Televisiestichting (NTS) was er nog weinig aan de hand. Hoewel de buis toen al de bijl aan de wortel van de verzuiling had kunnen leggen (omdat elke zuil op hetzelfde net uitzond, kon de onderdaan niet anders dan naar àlle zuilen kijken), gebeurde dat niet. Waarom niet? Omdat in 1960 nog maar een kwart van de Nederlanders een televisie had. De rest bleef aangewezen op de radiodistributie. Pas toen het geld in de jaren zestig begon te rollen, ging het bestel langzaam maar zeker kopje onder. De transistorradio opende de ether voor Veronica: terwijl vader naar VARA's Meyer Sluyser luisterde (`ik wens u smakelijk eten'), schaarden de kinderen zich rond Joost den Draaijer. De erkenning van de TROS als publieke omroep in 1966 was het begin van het einde. Een decennium later had elk huisgezin gemiddeld meer dan één tv. Niemand kon zich toen nog onttrekken aan de sterren van de `grootste familie' van Nederland. De verliesgevende parochies van katholieken, protestanten en sociaal-democraten bleken te zijn bezet door de renderende stal van Endemol.

Werd de harde sector langzaam zachter, de zachte sector werd juist harder. De geboortegolf rukte als een falanx op. De kinderen die begin jaren vijftig nog met zijn vijftigen in één klas hadden gezeten, rammelden nu in vergelijkbare aantallen aan de poorten van fabrieken, kantoren, collegezalen en partijen. Wat de laatste vooroorlogse generatie tien jaar eerder in de week had gezet, spoot nu los. De beelden zijn inmiddels cliché: provo's, het huwelijk, notenkrakers en allerhande bezetters.

Het was de huidige VARA-mastodont Nagel die deze kentering begreep toen hij met zijn pleidooi `tegen de gerontocratie' de geboorte aankondigde van Nieuw Links en het conflictmodel. De `verraderlijke' val van het centrum-linkse kabinet Cals/Vondeling in 1966 had hem in de kaart gespeeld. Maar het strategische inzicht ging dieper. De omslag van kwaliteit naar kwantiteit maakte het mogelijk een marsroute uit te stippelen. Gesteund door luidruchtige twintigers op straat konden de dertigers stap voor stap machtsposities innemen. De beëdiging van het kabinet-Den Uyl zou het sluitstuk worden. Een aantal bewindslieden uit het laatste vooroorlogse cohort – Lubbers, Duisenberg, Van Kemenade, Pronk, Meijer en Van Dam – domineert het publieke domein een kwart eeuw later nog altijd. Nadat zij zich hadden losgerukt uit de kerkers van de zuil, volgde de rest. De culturele bevrijding van enkelen, mondde uit in de juridische emancipatie van allen. De rechter werd het surrogaat voor de pastoor (vrij naar Schuyt).

Er is geen twijfel mogelijk. De lange jaren zestig zijn een belangrijk studieobject. Hoe je ze ook interpreteert of beoordeelt – ja, ze hebben inderdaad ook een hoop geld gekost – de periode is de bakermat voor de brede liberalisering die Nederland nodig had om niet het Jutland van de moderne wereld te worden. De lange jaren zestig zijn, met al die gekkigheid, bovendien een dankbaar onderwerp. Wie zou dus zijn vingers niet aflikken bij de opdracht die Schuyt en Taverne in 1991 van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) hebben gekregen?

Historici willen vaak twee dingen die niet eenvoudig te verenigen zijn: de tijd laten leven én distantie scheppen. Ze dromen daarom van een tijdmachine, waarmee de sfeer van toen en de kennis van nu kunnen worden gebundeld. De periode 1950-1973 is een uitdagende periode voor zo'n gewaagde poging de historische nabijheid alsnog op afstand te krijgen. De onderzoeker kan de hartslag van de tijd luid laten kloppen, ondertussen rustig het cardiogram bestuderend. Zeker als het project van hogerhand door NWO zo genereus wordt gesteund, is die ambitie niet overspannen.

Zijn Schuyt en Taverne daarin geslaagd? Hun uitgangspunt is helder. Ze hebben niet gekozen voor een chronologisch verhaal. Het eerste hoofdstuk begint dus niet met Drees, zoals het laatste niet met Den Uyl eindigt. In plaats daarvan benaderen zij het onderwerp thematisch: vanaf de basis (economie), via het meso-niveau (sociaal) tot de bovenbouw (kunst). Dat leidt ertoe dat de hand van de auteurs vaak duidelijk zichtbaar wordt. Taverne heeft erg veel ruimte gekregen voor zijn specialisme: ruimtelijke ordening, architectuur en cultuur. Sandberg van het Stedelijk Museum wordt bijvoorbeeld pagina's lang geciteerd, alsof Nederland in de jaren vijftig maar één museumdirecteur rijk was.

1950. Welvaart in zwart-wit bevat veel waardevolle hoofdstukken en passages. Vooral het gedeelte over de ongestructureerde maar gestage opbouw van de verzorgingsstaat en de navenante onderwijshervorming is geslaagd. De beschrijving van de dertigers eind jaren zestig, die niet tot de geboortegolf behoorden maar er wel mee wegliepen, is eveneens loepzuiver.

Maar daarmee is helaas het belangrijkste gezegd. Dat er feitelijke foutjes in het boek zijn geslopen (het idee van de confessionele partijen om samen te gaan in één CDA dateert niet van na de nacht van Schmelzer in 1966, maar was al in 1961 door Romme geopperd) is niet belangrijk. Het probleem schuilt in de smalle blik van Schuyt en Taverne. Als elk grootstedelijk bouwplan en elke betrokken architect aandacht rechtvaardigen, ben je in een studie met zulke integrale pretenties verplicht ook de rest van het veld af te grazen. En dat doen de auteurs niet.

Het meest opzichtig wreekt zich dat in hun politieke geschiedschrijving. Zo krijgt de ARP daarin een relatief geringe rol. Toch is de ARP een prachtige spiegel voor de ingewikkelde aanpassing van de gereformeerden aan de wereldlijke staat der Nederlanden. Het is geen toeval dat de jonge antirevolutionair Zijlstra de ARP pas in 1952 in de onchristelijke rooms-rode coalitie wist te loodsen, en dat dezelfde ARP pas een jaar later het vrouwenkiesrecht aanvaardde. Ook de Koude Oorlog lijkt niet veel meer te hebben opgeleverd dan onbeduidende ketelmuziek. Het bestaan van de CPN wordt bevestigd, maar daarmee houdt het op. Hetzelfde gebeurt aan de andere kant van het spectrum, met de Boerenpartij. Deze formatie van ontevreden verliezers in de storm die het Landbouwschap opriep in de achtergebleven agrarische sectoren, duikt welhaast uit het niets op.

De culturele geschiedschrijving lijdt aan een vergelijkbaar euvel. In de hoge kunsten gebeurt van alles. Maar in de lage cultuur mag het allemaal weinig naam hebben. Afgaande op hun accenten is er volgens de auteurs, grof gezegd, na Lionel Hampton geen jazz meer geweest en na Bill Haley geen noemenswaardige rock-'n-roll. Of Mick Jagger, John Lennon en Bob Dylan ook in Nederland meer hebben betekend dan hun songs, blijft in het ongewisse.

En wat te denken van de rol die sport in de jaren zestig ging spelen? Toegegeven, voetbal was in de jaren dertig ook populair. Maar vanaf 1963 gingen de supporters per boot of vliegtuig Feyenoord en Ajax in den vreemde achterna, dronken daar hun eerste glas rioja, die ze vervolgens bij Albert Heijn per mandfles konden kopen. Het laatste deed hun wellicht beseffen dat de `Nederlandse cultuur in Europese context' stond, zoals het motto van de reeks IJkpunten luidt. Maar dankzij de ongekende hoogtepunten van Feyenoord en Ajax tussen 1970 en 1973 ontstond een moderne Nederlandse identiteit: eerst in het rood-wit van deze twee clubs en later in het oranje van het nationale elftal. Die laatste kleur is de auteurs niet ontgaan. Maar de vraag blijft boeiend of premier Den Uyl in 1974 alleen voor de lol achter het volk van Cruijff heeft aangesjokt in die polonaise na het verloren wereldkampioenschap.

Trouwens, lazen de hoge en lage cultuurdragers in die tijd nog kranten? Als we Schuyt en Taverne mogen geloven amper. Dat Trouw een rol speelde rond de Nieuw Guinea-kwestie, de Volkskrant de teloorgang van de katholieke kerk een zetje gaf, Het Parool in de tweede helft van de lange jaren zestig tevergeefs de fakkel van de eerste helft probeerde hoog te houden en De Telegraaf iedereen te vlug af was en plotseling de grootste krant van Nederland bleek, zijn kennelijk niet meer dan rimpelingen geweest in een hoofdstroom die door de televisie werd bepaald.

Als de stijl dwingend en de eindredactie superieur waren geweest, zouden de manco's van deze `topdown' geschiedschrijving niet opvallen. Want de feiten en grafieken zijn een vreugde, en de deelbeschouwingen leerzaam. Maar de tekst is droog en vervalt vaak in herhaling. Het boek ontbeert de narratieve smeerolie die nodig is om de spanning zo nu en dan te kanaliseren. Én een consequent eigen geluid dat een dor betoog een inspirerende wending kan geven. Met andere woorden: er komen te weinig mensen én te weinig analyses in voor. De verwijzingen naar en samenvattingen van eerdere studies en theorieën zijn doeltreffend. Maar als de auteurs zelf proberen een synthese te bouwen, resteert niet veel meer dan een mandje vol hypotheses en interpretaties.

Op de keper beschouwd is 1950. Welvaart in zwart-wit een naslagwerk. Schuyt en Taverne hebben de ondertitel te letterlijk genomen, welhaast uit behoefte aan een alibi om grijs te mogen zijn. Of het succes van pornokoning Kok uit Zeeland – met 420 miljoen goed voor een zeventigste plaats in de Quote 500 wellicht iets met het Deltaplan te maken heeft, blijft daarom een raadsel.

Kees Schuyt en Ed Taverne: 1950. Welvaart in zwart-wit. Nederlandse cultuur in Europese context.

Sdu, 574 blz. ƒ95,- (geb.) / ƒ75,-