Tweedeling als norm

Het spook van de tweedeling waart door Nederland. Bij traditioneel door de overheid gefinancierde voorzieningen ontstaan particuliere initiatieven die leiden tot nieuw aanbod voor koopkrachtige gebruikers. Bedrijven regelen steeds vaker dat hun uitgevallen werknemers met voorrang de noodzakelijke zorg krijgen. Bemiddelde senioren organiseren hun eigen verzorgingsarrangementen, buiten de bestaande collectief geregelde voorzieningen om. Verder treffen bedrijven en particulieren in toenemende mate hun eigen voorzorgsmaatregelen om schade aan have en goed te voorkomen. Particuliere beveiligingsdiensten patrouilleren in straten en winkelcentra waar de politie in de ogen van belanghebbenden onvoldoende aanwezig is.

Als resultaat van dergelijke initiatieven hebben sommigen sneller toegang tot kwalitatief betere voorzieningen. Daarmee is de `tweedeling' een feit. Deze ontwikkeling steekt veel politici in het midden en aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Zij houden vast aan het ideaal dat iedereen in gelijke mate toegang heeft tot kwalitatief dezelfde essentiële vormen van dienstverlening. Maar CDA en PvdA hebben boter op het hoofd. Deze partijen hebben sinds het begin van de jaren tachtig – soms schoorvoetend – beurtelings samengespannen met de VVD om het aandeel van de overheidsuitgaven in het nationaal inkomen terug te dringen. Dat streven was succesvol. Het beslag vanuit de collectieve sector op het nationale inkomen is in amper twintig jaar teruggelopen van twee derden tot duidelijk minder dan de helft. Het gevolg was onder andere een kwalitatieve verschraling in delen van de zorg en het onderwijs. Zij stimuleert zorgbehoeftigen en ouders die het zich kunnen veroorloven om uit eigen zak bij te spijkeren.

De regering juicht die ontwikkeling nu openlijk toe. De voor het onderwijs verantwoordelijke bewindslieden geven in een zojuist uitgebrachte nota scholen ruim baan om van ouders (vrijwillige) eigen bijdragen te vragen. Sponsorgelden zijn even zeer welkom. Daarmee is de tweedeling in het onderwijs van overheidswege gelegitimeerd. De volgende stap valt te verwachten bij de verzekeringen tegen ziektekosten. De regering streeft naar invoering van een basisverzekering voor iedereen, met een grotendeels `nominale' premie. Dat is een maandelijkse premie die in guldens voor iedereen even hoog is. Zo'n premie legt in verhouding het grootste beslag op het huishoudbudget van gezinnen met een smalle beurs. Zij worden waarschijnlijk eenmalig schadeloos gesteld door een fikse verlaging van de inkomstenbelasting. Maar mensen die zo weinig verdienen dat zij nauwelijks belasting betalen – kleine zelfstandigen, studenten – hebben weinig aan deze compensatie. Bovendien zullen de kosten van de gezondheidszorg de komende jaren sterk blijven stijgen, en daarmee de premies. Zijn die inkomensonafhankelijk, dan zullen mensen met een laag inkomen vaak noodgedwongen voor een minimaal verzekerd pakket kiezen. Wie ruimer in de slappe was zit kan zich desgewenst gemakkelijk bijverzekeren voor allerlei extra's.

Het voordeel van toegenomen keuzemogelijkheden voor ouders en verzekerden tegen ziektekosten is evident. Consumenten hoeven niet langer de door politici en ambtenaren voorgekookte eenheidsworst te slikken maar zij kunnen zelf binnen ruime grenzen de voorziening kiezen die het meest met hun voorkeuren strookt. Wie het beste onderwijs en de meeste zorg willen zullen daarvoor in de eigen buidel moeten tasten. Dat spoort aan tot kritisch gebruik. Traditionele aanbieders van zorg en onderwijs krijgen daarbij vaker met concurrentie te maken. Dit prikkelt instellingen om doelmatiger en klantvriendelijker te werken.

Het voornaamste bezwaar van de voortgaande vermarkting van de collectieve sector is eveneens duidelijk. Wie over minder middelen beschikken kunnen niet over de beste voorzieningen beschikken. Dit is echter altijd al zo geweest en zal ook zo blijven, tenzij het aan meer bemiddelde burgers wordt verboden een deel van hun koopkracht te besteden voor extra zorg en onderwijs. Zo een verbod wordt in ons land niet geaccepteerd.

Tegenstanders van tweedeling bij basisvoorzieningen dienen zich te realiseren dat hogere bijdragen van koopkrachtige gebruikers er bij een gegeven overheidsbudget toe leiden dat in totaal meer middelen voor zorg en onderwijs beschikbaar komen. Daarvan profiteren ook mensen die zich geen aanvullende betalingen uit eigen zak kunnen permitteren. Uiteindelijk is iedereen dan beter af.

Het is en blijft een zaak van de overheid om bepaalde basisvoorzieningen tot stand te brengen. Bovenop dat fundament moet diversiteit mogelijk zijn. Niemand zal ontkennen dat voeding en onderdak zeker zo belangrijk zijn als zorg en onderwijs. Dankzij de bijstand komt niemand in Nederland om van honger en dorst. Leven van de sociale dienst is echter geen vetpot. Tegelijkertijd eten en drinken de meeste Nederlanders zonder bijstandsuitkering er goed van. De sterrenrestaurants zitten vol. Deze tweeverdeling stuit bij vrijwel niemand op verzet. Net zo worden grote verschillen in de huisvesting van gezinnen algemeen aanvaard, mits dank zij huursubsidie goede maar eenvoudige woningen voor mensen met lage inkomens bereikbaar zijn. Bij zorg en onderwijsvoorzieningen kan hetzelfde gelden.

Er is dus niets tegen tweedeling, mits de overheid er naar streeft dat iedereen toegang tot adequate basisvoorzieningen heeft. Zo staat het in de grondwet en niet anders.